Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Sophie Broersen en Robinetta de Roode
17 april 2018 16 minuten leestijd
Uitspraak tuchtcollege

Psychiater had van eerdere tuchtuitspraken moeten leren

Plaats een reactie
Getty Images
Getty Images

Wie deze rubriek weleens leest, weet dat artsen op hun woorden moeten passen als ze met vechtscheidende ouders te maken hebben, zeker als ze die woorden op schrift stellen.

En dat het bijzonder onverstandig is om volledig af te gaan op het verhaal van één partij en dat stellig te presenteren, ook al heeft u er nog zulke goede bedoelingen mee. De kans is groot dat de benadeelde partij u aanvalt. Het is de vraag of u dan uw doel heeft bereikt, namelijk het helpen van patiënten.

Dat maakt het zo onbegrijpelijk wat de psychiater in deze tuchtzaak heeft gedaan. Kort gezegd: hij had ex-vrouw onder behandeling, maar deed vérgaande uitspraken over de ex-man, zonder hem ooit gesproken of gezien te hebben. Waarbij hij ook nog eens putte uit informatie die niet voor hem was bedoeld, en die hij van de ex-vrouw had gekregen. En waarbij hij uitspraken doet over hoe de gezags- en omgangsregeling volgens hem zou moeten worden veranderd.

Het regionaal tuchtcollege vindt het een berisping waard, mede omdat de psychiater niet inziet hoezeer hij de fout in is gegaan. Hij komt er in beroep bij het Centraal Tuchtcollege (CTG) nog slechter vanaf: dat legt hem een voorwaardelijke schorsing op. Waarbij het CTG laat meewegen dat het al veel vaker uitspraak heeft gedaan over vergelijkbare kwesties, en de psychiater dus had moeten weten dat hij zo niet zou moeten handelen.

Sophie Broersen, arts niet-praktiserend/journalist

Robinetta de Roode, adviseur gezondheidsrecht

Download het artikel met ingekorte uitspraak (pdf)

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2017.085 van:

A., (kinder- en jeugd) psychiater,  (destijds) werkzaam te B.,

appellant, verweerder in eerste aanleg, gemachtigde:

mr. V.C.A.A.V. Daniëls, verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

tegen

C., wonende te D., verweerder in hoger beroep, klager in eerste aanleg.

1.                 Verloop van de procedure

C. - hierna klager - heeft op 2 maart 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen A. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van 6 januari 2017, onder nummer 046/2016, heeft dat College de klacht gegrond verklaard en de psychiater de maatregel van berisping opgelegd. De psychiater is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 22 augustus 2017, waar zijn verschenen de psychiater, bijgestaan door mr. Daniëls, en klager. Partijen hebben hun standpunten toegelicht.

2.                 Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

“2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager en zijn ex-partner zijn betrokken in een juridisch geschil over de omgangs-regeling van hun dochter E. (geboren 2009) en de invulling van het gezamenlijk gezag.

Klager is sinds 14 juli 2010 onder de aandacht van de heer F., senior klinisch psycholoog bij de G. in verband met verwerkingsproblematiek en partner-relatieproblematiek.

De huisarts van de ex-partner, de heer H., heeft haar verwezen naar verweerder met de vraag hoe zij haar dochter het beste kon begeleiden bij de verlatingsangsten en seksueel afwijkende gedragingen die de ex-partner bij haar dochter zag. Verweerder is gedurende de periode 2011-2014 de psychiater van de ex-partner geweest. Verweerder heeft nooit persoonlijk contact gehad met klager en ook niet met de dochter.

Op 8 april 2014 heeft klager melding gedaan bij het Advies- en Meldpunt Kindermis- handeling (AMK) in verband met een vermoeden van ouderverstoting door de ex-partner. Op 22 september 2014 ontving de Raad voor de Kinderbescherming een melding van het AMK. In dat kader heeft de Raad onderzocht of er sprake was van een zodanig ernstig bedreigde ontwikkeling van E. dat een kinderbeschermingsmaatregel in de vorm van een ondertoezichtstelling nodig was. In dat kader zijn met verweerder en ook met de behandelaar van klager (de heer F.) interviews gehouden. In die periode hebben de heer F. en verweerder onderling informatie uitgewisseld. Klager was hier niet van op de hoogte. De rapportage van het onderzoek van de Raad d.d. 5 februari 2015 is naar verweerder verstuurd vanwege zijn deelname aan het onderzoek. Conclusie van het onderzoek was dat een ondertoezichtstelling nodig werd geacht.

Verweerder heeft op 23 september 2015 zijn bevindingen over de behandeling van de ex-partner teruggekoppeld aan huisarts H.. Hij heeft in dit verslag uitspraken gedaan gebaseerd op de gesprekken die hij met de ex-partner heeft gehad, op afschriften van een rapportage afkomstig van de G. uit 2010 (verkregen via de ex-partner), op een rapportage van het Regionaal Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie (RKCJP) te B. over de dochter en op de rapportage van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming.

In het verslag van verweerder is onder meer het volgende vermeld:

‘ Ik stel dit eindrapport op voor U als huisarts van moeder (en van E.) om zodoende een nodige adequate kinder-psychiatrische verwijzing in de toekomst te ondersteunen.

Bij mijn psychiatrisch onderzoek van moeder kwamen aan de orde:

(1)   (…)

(2)   Misbruik- resp. geweldervaringen die plaatsvonden in haar relatie met

b-vader

(3)   (…)

(4)   (…)

Ad (2) heb ik (..) kennis genomen van (…) de rapportage m.b.t. de psychische gesteldheid van b-vader als verwoord in de ontslagbrief over zijn opname in de G.-kliniek te D. (zomer ’10). Met name is in dit verband de aldaar gestelde diagnose relevant m.b.t. As-II resp. As-IV t.w.: “Persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en ontwijkende trekken” resp. (As-IV): “probleem in de opvoeding (ouder)”. Het therapie-advies was: behandeling in een klinische of dagklinische setting. Dit advies heeft hij evenwel helaas nooit opgevolgd.

(…)

De trigger angsten zijn aldus geneutraliseerd; echter de angst voor b-vader blijft bestaan. Deze angst acht ik reëel gezien de psychische problematiek die bij de vader speelt, en die zeker bij vader zal blijven bestaan zolang hij de behandeling die hem is geadviseerd door G. niet zal aangaan.

(…)

Conclusie

Het lijkt mij belangrijk dat het gezag aan moeder wordt toegekend zonder informatieplicht.

(…)

In het belang van E. acht ik het dan ook wenselijk dat de huidige regelingen worden gewijzigd. Ik begrijp van moeder dat momenteel beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag en dat er een 2-wekelijkse omgang plaatsvindt bij een omgangshuis waar weliswaar de fysieke veiligheid wordt gewaarborgd maar niet (adequaat) gerapporteerd wordt over de interactie tussen b-vader en E..

(…)

Tot slot merk ik op, zowel uit eigen waarneming als ook op basis van het raadsrapport dat er bij E. tot op heden met haar b-vader (mede op grond van diens hechtingsproblematiek) geen adequate hechtingsrelatie is ontstaan (…)Wanneer de omgang met hem niet meer zal worden voortgezet is niet te verwachten dat E. daaraan gerelateerde irreversibele problematiek zal ontwikkelen. Integendeel.’

Aan de brief van 23 september 2015 aan huisarts H. heeft verweerder een bijlage gehecht waarin hij kanttekeningen plaatst bij de rapportage van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Daarin vermeldt hij onder meer:

‘In een paar zinnen beschrijft de psycholoog (drs. F., toevoeging college) een levensloop die op zich al voldoende verklaart hoe (klager) een volkomen verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling heeft moeten doormaken. (…)

Nu is bekend bij een dergelijke persoonlijkheidsontwikkeling dat deze welhaast onvermijdelijk leidt tot een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en ontwijkende trekken, zoals ook door de G. geconstateerde is. Niettemin stelt deze behandelaar van vader: “Vader heeft een diagnose Posttraumatische Stress-Stoornis (PTSS) en een Persoonlijkheidsstoornis Niet Anders Omschreven.”

De therapie die geadviseerd was door de G.-kliniek, nl. behandeling in een klinische of dagklinische setting, heeft dus nooit plaatsgevonden (…).

Niettemin geeft hij (drs. F., toevoeging college) aan “dat hij inschat dat er van vader geen gevaar te verwachten is voor E.; hij houdt zielsveel van haar en vecht voor wat hij waard is om haar meer te zien en te zorgen dat zij onder emotioneel evenwichtige omstandigheden opgroeit.” (nu is dat “zielsveel houden van” – vanwege zijn geconstateerde persoonlijkheidsstructuur – een narcistisch houden van, oftewel een liefhebben dat navenant op zichzelf gericht is).’

3.         HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt verweerder – zakelijk weergegeven – dat hij zich tegenover klager niet heeft gehouden aan de regels van een zorgvuldige, betamelijke beroepsuitoefening en dat hij het beroepsgeheim heeft geschonden. Verweerder heeft vérgaande uitspraken gedaan over klager in een verslag aan de huisarts van de ex-partner, zonder dat verweerder persoonlijk contact met klager en zijn dochter heeft gehad. Verweerder baseert zich daarbij op informatie die hij niet in bezit hoorde te hebben.

4.         HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert – zakelijk weergegeven – aan dat zijn brief aan de verwijzend huisarts een retourbericht was, toegespitst op een specifieke vraagstelling van de huisarts. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van de ex-partner en op schriftelijke informatie, waarover hij beschikte deels doordat hij had meegewerkt aan het raadsonderzoek en deels omdat hij die van de ex-partner had ontvangen. Om tot zijn bericht aan de huisarts te komen was persoonlijk contact met klager niet nodig.

Verweerder was er niet van op de hoogte dat de ex-partner van klager de brief zou (kunnen) gebruiken in de familierechtszaak en hij behoefde dat ook niet te verwachten.

5.         DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het college zal de klachten in onderlinge samenhang beschouwen. Het college stelt in de eerste plaats vast dat verweerder gebruik heeft gemaakt van de ontslagbrief van

20 augustus 2010 die door psychiater i.o. I. en psychiater J. is gestuurd aan de heer F.. De brief was een bijlage bij een brief van de heer F. d.d. 28 september 2010, gericht aan mevrouw K., psychotherapeut bij het L.. Op die brief is vermeld: MEDISCH GEHEIM. Nu noch de brief van 20 augustus 2010, noch de brief van

28 september 2010 aan hem was gericht, moet het voor verweerder zonder meer duidelijk zijn geweest dat de informatie die in de brief van 20 augustus 2010 is verstrekt aan de heer F. niet voor hem bestemd was en dat hij daarvan – gelet op het vertrouwelijke karakter van de daarin verstrekte informatie – geen kennis had mogen nemen. Een redelijk bekwame beroepsuitoefening had meegebracht dat hij de brief, die door de ex-partner van klager aan hem werd verstrekt, niet in ontvangst had genomen. Ter zitting heeft verweerder erkend dat hij hierover beter had moeten nadenken.

Dat hij de brief wel in ontvangst heeft genomen en dat hij de in de brief verstrekte – vertrouwelijke – informatie heeft gebruikt in de brief die hij aan huisarts H. heeft gestuurd, is naar het oordeel van het college een ernstige overschrijding van de norm van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

5.3

Verweerder heeft in zijn brief aan de huisarts uitspraken gedaan over de persoonlijkheidsstoornis waaraan klager in zijn visie lijdt. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op de hiervoor vermelde brief van 20 augustus 2010. Klager zelf heeft hij niet gesproken.  Naar het oordeel van het college heeft verweerder, door vérgaande conclusies te trekken over de psychische gesteldheid van klager zonder dat hij klager ooit heeft gesproken of gezien, een duidelijke grens overschreden. Daar komt bij dat verweerder tot die conclusie is gekomen door gebruik te maken van een rapport waarover hij, gelet op hetgeen onder 5.2 is overwogen, niet de beschikking had mogen hebben. Bovendien heeft hij nagelaten in de brief te vermelden dat de behandelaar van klager, de heer F., zijn visie niet deelt. In de bijlage bij de brief, waarin hij kanttekeningen plaatst bij de rapportage van het raadsonderzoek, vermeldt hij wel de visie van de heer F., maar diskwalificeert hij die door te stellen dat bekend is dat “een dergelijke persoonlijkheidsontwikkeling (…) welhaast onvermijdelijk leidt tot een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en ontwijkende trekken.” Deze kritiek op de visie van de behandelaar is niet onderbouwd door eigen onderzoek van klager.

Van een redelijk bekwame beroepsbeoefenaar mag worden verlangd dat hij zijn oordeel staaft aan de hand van eigen onderzoek van de betrokken patiënt. Door dit na te laten en door zijn oordeel te baseren op een eenzijdig gebruik van beschikbare informatie, waarover hij bovendien niet de beschikking had mogen hebben, heeft verweerder de norm van een redelijk bekwame beroepsuitoefening geschonden. Verweerder heeft niet de indruk gewekt dat hij zich bewust is van de ernst van deze normschending. Hij heeft gedurende de hele procedure verdedigd dat hij kon afzien van het opnemen van contact met klager, omdat het horen van klager geen toegevoegde waarde zou hebben. Daarmee miskent hij een basaal uitgangspunt in de medische beroepsuitoefening.

5.4

Tot slot heeft verweerder in zijn brief aan huisarts H. uitspraken gedaan over de meest wenselijke gezagsregeling (gezag uitsluitend bij de ex-partner, zonder informatieplicht naar klager) en omgangsregeling. Hij heeft daarbij aangegeven dat er geen adequate hechtingsrelatie is ontstaan tussen klager en zijn dochter en dat het ontbreken van omgang tussen klager en zijn dochter bij haar niet tot irreversibele problematiek zal leiden.

Verweerder heeft deze conclusies getrokken zonder dat hij klager of de dochter zelf heeft gesproken of gezien, hetgeen op zichzelf reeds in strijd is met een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hij had zich dienen te realiseren dat de informatie die hij op dit punt kreeg van de ex-partner – gelet op de heftige echtscheidingsstrijd waarin klager en de ex-partner verwikkeld waren – gekleurd zou (kunnen) zijn. Daar komt bij dat verweerder door uitspraken te doen als hier vermeld, zich heeft begeven op een terrein waarop hij niets te zoeken had. De brief was immers, zoals verweerder zelf heeft verklaard, bedoeld om de huisarts te helpen bij het bepalen van een adequate kinder-psychiatrische verwijzing. Daarbij passen geen conclusies over de gewenste gezags- en omgangsregeling. Ter zitting heeft verweerder dit erkend. Hij heeft in dit verband ter verontschuldiging aangevoerd dat hij zich heeft laten leiden door de belangen van de dochter. Hoewel het college wil aannemen dat verweerder goede bedoelingen had, is zijn handelen niet professioneel geweest. Het heeft er alle schijn van dat hij zich, als behandelaar van de ex-partner, te veel heeft laten meeslepen door haar versie van het verhaal en als gevolg daarvan niet zuiver is gebleven in zijn eigen taakuitoefening. Hoewel verweerder heeft aangegeven dat hij er geen rekening mee had gehouden dat de ex-partner de brief zou overleggen in een rechterlijke procedure, had hij zich terdege moeten realiseren dat die mogelijkheid zich zou voordoen. Hij was er immers van op de hoogte dat de echtscheiding tussen klager en de ex-partner zeer problematisch verliep en dat de strijd tussen hen zich met name richtte op het gezag over en de omgang met de dochter.

5.5

Gelet op het voorgaande is de klacht naar het oordeel van het college gegrond en moet een maatregel worden opgelegd. Bij het bepalen daarvan is rekening gehouden met het volgende. Het college oordeelt dat verweerder de basale uitgangspunten van zorgvuldig medisch handelen ernstig heeft geschonden. Hij heeft erkend dat hij fouten heeft gemaakt, waarmee hij zich leerbaar heeft opgesteld. Daar staat tegenover dat hij er geen blijk van heeft gegeven dat hij inziet dat hij geen informatie had mogen verstrekken over klager zonder hem te spreken. In zoverre is het college er niet gerust op dat verweerder niet nogmaals in dezelfde fout zal vervallen. Verder heeft het college rekening gehouden met het feit dat verweerder vanuit goede intenties, te weten het belang van de dochter, lijkt te hebben gehandeld. Tot slot overweegt het college dat verweerder niet eerder geconfronteerd is geweest met een gegrond tuchtrechtelijk verwijt. Alles bij elkaar genomen is het college van oordeel dat de maatregel van een berisping op zijn plaats is. “

3.                 Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet is bestreden.

4.                 Beoordeling van het beroep

Formeel

4.1             De psychiater is in beroep gekomen van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 6 januari 2017. Het Regionaal Tuchtcollege heeft in zijn beslissing onder 5.2. tot en met 5.5 overwogen dat de klacht gegrond is en dat de maatregel van berisping op zijn plaats is. Blijkens het beroepschrift is het beroep van de psychiater beperkt tot de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege onder 5.2, 5.3 en 5.5. en de aan hem opgelegde maatregel van berisping.

4.2             Tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege onder 5.4 (samengevat: dat de psychiater heeft geconcludeerd dat er geen adequate hechtingsrelatie is ontstaan tussen klager en zijn dochter en dat het ontbreken van omgang tussen klager en zijn dochter bij haar niet tot irreversibele problematiek zal leiden, zonder dat hij klager of zijn dochter zelf heeft gesproken of gezien, hetgeen op zichzelf reeds in strijd is met een redelijk bekwame beroepsuitoefening) heeft de psychiater in beroep geen grief geformuleerd. Dit deel van de klacht is daarom in beroep niet meer aan de orde.

Inhoudelijk

4.3             Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van de stukken en hetgeen door partijen over en weer ter terechtzitting in beroep nog naar voren is gebracht grotendeels tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege in de overwegingen 5.3 en 5.5 heeft overwogen hier over, behoudens hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder 5.5.bij de motivering van de maatregel ten gunste van de psychiater heeft overwogen. Daarmee onderschrijft het Centraal Tuchtcollege het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat (samengevat) de psychiater een duidelijke grens heeft overschreden door in zijn brief aan de huisarts vérgaande conclusies te trekken over de psychische gesteldheid van klager zonder dat hij klager ooit heeft gesproken of gezien. Van een redelijk bekwame beroepsbeoefenaar mag worden verwacht dat hij een dergelijk oordeel baseert op eigen onderzoek van de betrokken patiënt. Door dit na te laten en door zijn oordeel enkel te baseren op hem door een direct betrokken derde beschikbaar gestelde informatie heeft de psychiater de norm van een redelijk bekwame beroepsuitoefening in ernstige mate geschonden. Daarbij komt ook nog dat bedoeld oordeel op relevante onderdelen zelfs geen basis vindt in hetgeen de psychiater daartoe in zijn rapportage heeft aangevoerd. Hetgeen hiervoor is overwogen klemt temeer nu de psychiater al sinds meerdere jaren de behandelaar was van de betrokken derde (de ex-partner van klager) en wist van  de langdurige strijd met betrekking tot de omgang met hun dochter, waarin zijn patiënte en klager reeds geruime tijd verwikkeld waren. Ook al op grond hiervan had van de psychiater grote terughoudendheid mogen worden verwacht bij het rapporteren aan de huisarts. De klacht is dus gegrond.

4.4             Hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder 5.2 heeft overwogen neemt het Centraal Tuchtcollege niet over. Uit wat door de psychiater in beroep (onweersproken) naar voren is gebracht, is het Centraal Tuchtcollege gebleken dat de psychiater de ontslagbrief van 20 augustus 2010 niet als bijlage bij een brief van de heer F. van 28 september 2010 met daarop vermeld ‘MEDISCH GEHEIM’ heeft ontvangen, maar van de ex-partner van klager zonder een dergelijke vermelding daarop.  

Maatregel

4.5       Het Regionaal Tuchtcollege heeft de psychiater de maatregel van berisping opgelegd en daartoe onder meer overwogen dat de psychiater geen blijk heeft gegeven dat hij inziet dat hij geen informatie had mogen verstrekken over de psychische gesteldheid van klager zonder hem te spreken en dat het Regionaal Tuchtcollege er niet gerust op is dat de psychiater niet nogmaals in dezelfde fout zal vervallen. Ook in beroep heeft de psychiater in overwegende mate gepersisteerd bij zijn beweringen en zijn aanpak en het Centraal Tuchtcollege heeft, net als het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, ter terechtzitting in beroep de indruk gekregen dat de psychiater het onjuiste van zijn handelen niet of nauwelijks inziet.

4.6       De wijze waarop de psychiater in de onderhavige kwestie heeft geacteerd en het gebrek aan inzicht in het onjuiste van dit handelen, acht het Centraal Tuchtcollege dusdanig ernstig, verwijtbaar en zorgwekkend dat niet kan worden volstaan met de door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde maatregel van berisping. In dat verband verdient nog vermelding dat de psychiater  in zijn rapportage aan de huisarts op

23 september 2015 veel meer waarde heeft gehecht aan hetgeen in de ontslagbrief van 20 augustus 2010 omtrent de persoon van klager is vermeld dan aan  hetgeen ter zake is vermeld in de rapportage d.d. 22 juli 2014 (van F., de laatste behandelaar van klager),  er daarmee aan voorbijgaand dat klager ook daadwerkelijk kan hebben geprofiteerd van de behandelingen die hij heeft ondergaan. Ook heeft hij hetgeen hij heeft opgemerkt omtrent de hechtingsproblematiek niet gebaseerd op een uitgebreid systeemonderzoek maar enkel op basis van de informatie (o.a. die van de ex-partner van klager ) die hij tot zijn beschikking had. Tenslotte is in dit verband van belang dat het Centraal Tuchtcollege de laatste jaren in tal van vergelijkbare kwesties bij herhaling heeft aangegeven hoe omzichtig de beroepsbeoefenaar alsdan heeft te handelen, met welke jurisprudentie de psychiater, blijkens zijn eigen verklaring ter zitting, bekend was. Het Centraal Tuchtcollege is op grond van artikel 74 lid 5 Wet BIG met eenparigheid van stemmen van oordeel dat de zwaardere maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van drie maanden in dit geval passend en geboden is, zulks ondanks het gegeven dat de psychiater niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft gekregen.

4.7       Om redenen ontleend aan het algemeen belang zal het Centraal Tuchtcollege bepalen dat deze beslissing op na te noemen wijze wordt bekendgemaakt.

5.                 Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep, maar uitsluitend voor zover daarin de maatregel van berisping is opgelegd;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

legt aan de psychiater de maatregel op van schorsing van zijn inschrijving in het BIG-register als psychiater voor de duur van drie maanden en bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer wordt gelegd dan nadat het Centraal Tuchtcollege dat heeft gelast op grond van het feit dat hij, de psychiater, binnen de proeftijd die hierbij wordt bepaald op twee jaar, zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als psychiater behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg;

de proeftijd loopt alleen gedurende de periode dat de psychiater ingeschreven staat in het BIG-register;

                                               verwerpt het beroep voor het overige;          

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact en De Psychiater met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: mr. K.E. Mollema, voorzitter, prof.mr. J. Legemaate en

mr. A.R.O. Mooy, leden-juristen en drs. G.T.  Blok en mr.drs. R.H. Zuijderhoudt, leden-beroepsgenoten en mr. R. Blokker, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 14 september 2017.

print dit artikel
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 
Akkoord Cookievoorkeuren aanpassen

Medisch Contact gebruikt cookies en scripts om uw gebruik van onze website geanonimiseerd te analyseren, zodat we functionaliteit en effectiviteit kunnen aanpassen en op uw profiel afgestemde advertenties kunnen tonen. Ook gebruiken we cookies en scripts om integratie met social media (Twitter, Facebook, LinkedIn, etc.) mogelijk te maken. Meer informatie vindt u in onze cookieverklaring en in onze Privacyverklaring