Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Sophie Broersen Antina de Jong
18 juni 2019 17 minuten leestijd
Uitspraak tuchtcollege

Internist gaat in tegen reanimatieafspraak

1 reactie
Getty Images
Getty Images

Deed de internist uit deze tuchtzaak er goed aan om een reanimatie bij een 63-jarige patiënt te laten beëindigen, terwijl diens hoofdbehandelaar met hem had afgesproken dat er geen behandelbeperkingen waren?

Het is geen eenvoudige zaak, er komt van alles aan bod, van hoofdbehandelaarschap tot informeren van de familie, en van collegiale conflicten die op de achtergrond een belangrijke rol spelen, tot de vraag hoe om te gaan met reanimaties bij ernstig zieke patiënten.

In deze casus was de internist die de poging liet stoppen, niet in het ziekenhuis aanwezig en ze kon de patiënt dan ook niet zelf beoordelen. De opdracht tot staken van de reanimatiepoging deed zij telefonisch, terwijl ze wist van de andere afspraak tussen patiënt en hoofdbehandelaar. Met die afspraak was ze het al niet eens geweest bij het ingaan van de dienst, maar ze accepteerde deze. Beide tuchtcolleges oordelen dat het dan niet correct is om op het moment dat reanimatie nodig is, deze afspraak alsnog te negeren. Van het Centraal Tuchtcollege krijgt zij een waarschuwing.

De tuchtcolleges zijn beide van mening dat de internist in ieder geval in huis had moeten komen om de patiënt zelf te beoordelen. Je vraagt je toch af of er dan geen arts-assistent bij de reanimatie betrokken was. Moet een reanimatie altijd doorgaan tot de achterwacht in huis is, tenzij er een niet-reanimerenbeleid is afgesproken? Hoe dan ook geldt dat als je het niet eens bent met een reanimatieafspraak, je deze niet kunt negeren. Als je deze met je collega’s niet kunt bespreken vanwege slechte verhoudingen, dan is er sprake van een dusdanig onveilige werksituatie dat je aan de bel zou moeten trekken.

Sophie Broersen, arts niet-praktiserend/journalist

mr. Antina de Jong, adviseur gezondheidsrecht

download dit artikel met de ingekorte uitspraak (pdf)

  • Tuchtrecht

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.293 van:

A., internist, (destijds) werkzaam te B.,appellante, tevens verweerster in incidenteel beroep, verweerster in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. A.P.J.M. Verbeek te Amsterdam,

tegen

DE INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD, gevestigd te Utrecht, in de persoon van J. Haeck, coördinerend/specialistisch inspecteur,verweerster in beroep, tevens incidenteel appellante, klaagster in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. F.D.M. ten Cate-Adema, senior adviseur juridische zaken.

1.                 Verloop van de procedure

De Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd - hierna de inspectie - heeft op

2 februari 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen A. - hierna de internist - een klacht ingediend. Bij beslissing van 1 juni 2018, onder nummer 025/2018 heeft dat College de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en de internist berispt. De internist is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De inspectie heeft eenverweerschrift in beroep ingediend en heeft daarbij incidenteel beroep ingesteld. De internist heeft hierop gereageerd met een verweerschrift in het incidenteel beroep.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 7 februari 2019, waar zijn verschenen de internist, bijgestaan door haar gemachtigde, en namens de inspectie J. Haeck en F.D.M. ten Cate-Adema.

Mr. Verbeek en mr. Ten Cate-Adema hebben de standpunten van respectievelijk de internist en de inspectie toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.                 Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

De klacht heeft betrekking op de behandeling van een 63-jarige patiënt die bekend was bij de internist in het ziekenhuis. Hij werd behandeld vanwege een chronische lymfatische leukemie (CLL). De hoofdbehandelaar van patiënt had met hem gesproken over zijn wensen ten aanzien van eventuele behandelbeperkingen. Er werd besloten tot een reanimatiebeleid zonder beperkingen (code A). Medio maart 2016 werd gestart met chemotherapie. Patiënt had twee chemokuren gehad voordat hij op 10 oktober 2016 door de huisarts werd verwezen naar de longarts in het ziekenhuis vanwege toenemende dyspneu. Patiënt werd na overleg door de longarts met de internist opgenomen op de afdeling interne geneeskunde. In het dossier staat vermeld dat er sprake is van uitgebreid emfyseem bij COPD, die niet eerder was gediagnosticeerd. Patiënt werd op 17 oktober 2016 ontslagen met extra zuurstof voor thuis. Op 23 oktober 2016 werd patiënt thuis onwel na het beklimmen van een trap, hij was gevallen en had daarbij zijn hoofd gestoten. Hij werd in de avond met de ambulance binnengebracht op de SEH van het ziekenhuis. Er werd laboratorium-onderzoek verricht en een thoraxfoto en CT-scan van de hersenen gemaakt. Patiënt werd vervolgens opgenomen door de internist. Er was sprake van progressieve dyspneu, tachardie en gestegen ontstekingsparameters door pneumonie bij bekende COPD. Tevens was er sprake van een trauma capitis zonder intracraniële bloeding. De hoofdbehandelaar ging die avond bij patiënt langs. Er was sprake van een goede respons op de chemotherapie wat betreft zijn CLL, besloten werd het reanimatiebeleid te handhaven als code A.

Op 25 oktober 2016 was er in de loop van de ochtend sprake van een toename van dyspneu en verslechtering van de conditie van patiënt. Patiënt werd gezien door de arts-assistent. De hoofdbehandelaar en de longarts bespraken de conditie van patiënt. Er was geen sprake van kooldioxidestapeling. Afgesproken werd dat de bloedgas gecontroleerd zou worden en dat patiënt bij kooldioxidestapeling overgeplaatst zou worden naar de intensive care voor (non invasieve) beademing. In de middag werd er een X-thorax gemaakt die werd vergeleken met de foto van 23 oktober 2016. De X-thorax liet geen pneumothorax zien.

Verweerster nam die namiddag de dienst over. Bij die dienstoverdracht heeft zij met de arts-assistent besproken waarom met deze patiënt code A was afgesproken, gelet op zijn verminderde longfunctie. Verweerster kende de patiënt van een eerdere overdracht, zij had zijn foto’s beoordeeld maar had hem toen niet zelf gezien. Zij bekeek samen met de arts-assistent de thoraxfoto’s en stelde voor patiënt te bezoeken. Zij begreep echter van de arts-assistent (naar achteraf bleek ten onrechte) dat de hoofdbehandelaar kort daarvoor nog bij patiënt was geweest en code A had gehandhaafd. Verweerster wilde hierover met de hoofdbehandelaar spreken maar dit lukte niet. De arts-assistent kreeg de hoofdbehandelaar wel telefonisch te spreken en deze gaf aan dat code A nog steeds van toepassing was. Verweerster besloot, ondanks haar bedenkingen, de code te accepteren en zag geen reden om patiënt te bezoeken. Voordat verweerster rond 23.00 uur die avond ging slapen heeft zij met de afdeling gebeld. Op grond van de informatie van de verpleegkundige oordeelde zij dat patiënte stabiel was met 10-15 liter zuurstof op een non-rebreathing masker en werd het beleid gecontinueerd door verweerster. Omstreeks 2.20 uur op 26 oktober 2016 belde patiënt voor de postoel. De verpleegkundige haalde de postoel en op het moment dat zij de kamer binnenkwam, zakte patiënt door zijn benen. De verpleegkundige riep de hulp in van een collega. Het lukte hen echter niet patiënt weer in bed te krijgen. De collega ging naar de afdeling om meer hulp te vragen. Op dat moment zakte patiënt in elkaar. De verpleegkundige bleef bij patiënt en zorgde ervoor dat hij goed lag tot de collega’s van de longafdeling arriveerden. Er werd begonnen met hartmassage. Een verpleegkundige belde naar de portier die de reanimatieprocedure in gang zette. Hierna belde de verpleegkundige verweerster om haar te informeren over de situatie. De verpleegkundige vertelde dat patiënt gereanimeerd werd. Hierop gaf verweerster aan dat de reanimatie gestaakt diende te worden (code C).  De verpleegkundige herinnerde verweerster aan het feit dat patiënt een code A beleid had. Verweerster herhaalde hierop dat de reanimatie gestaakt dient te worden en dat patiënt vanaf dat moment een code C beleid had. De verpleegkundige gaf dit door aan het reanimatieteam waarop de reanimatie gestaakt werd. Verweerster zei tegen de verpleegkundige dat zij naar het ziekenhuis kwam. Enige tijd later arriveerde verweerster in het ziekenhuis. Zij stelde het overlijden van patiënt vast. Verweerster vroeg de verpleegkundige de familie te bellen en hun te vragen, zonder meteen te zeggen dat patiënt was overleden, naar het ziekenhuis te komen. Verweerster nam plaats achter de balie in afwachting van de familie en de verpleegkundige bleef op de afdeling. Op de een of andere manier is de echtgenote van patiënt aan hun waarneming ontsnapt en is zij meteen doorgelopen naar de kamer van patiënt waar zij hem levenloos aantrof. De verpleegkundige was snel ook in de kamer aanwezig en heeft verweerster geroepen. Verweerster heeft de echtgenote gecondoleerd en heeft haar meegenomen naar een kamer om met haar te spreken. Na dit gesprek belde de echtgenote met haar kinderen die naar het ziekenhuis kwamen. De volgende ochtend heeft de hoofdbehandelaar een gesprek gehad met de zoon en dochter van patiënt.

Op 3 november 2016 heeft verweerster zich ziek gemeld. Op 10 november 2016 heeft het ziekenhuis een calamiteitenmelding bij de Inspectie gedaan. Op verzoek van de Inspectie heeft het ziekenhuis een intern onderzoek verricht naar het overlijden van patiënt. Hiervan is op 23 januari 2017 een rapportage ontvangen. Naar aanleiding van deze rapportage heeft de Inspectie besloten deze melding zelf te onderzoeken. De reden hiervoor was dat de Inspectie vragen had over onder meer het individueel handelen, de beschreven communicatie en samenwerkingsproblemen en de beschreven werkdruk binnen de vakgroep interne geneeskunde.

De Inspectie heeft na het eigen onderzoek onderhavige klacht ingediend.

3.         HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

De Inspectie verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- het volgende.

Verweerster heeft gehandeld in strijd met het vigerende ziekenhuisbeleid en met de afspraken tussen de hoofdbehandelaar en de patiënt door te besluiten af te wijken van het behandelbeleid dat de hoofdbehandelaar met patiënt had afgesproken bij opname.

Verweerster was op de hoogte van de geldende protocollen en richtlijnen inzake het reanimatiebeleid en wist dat ten aanzien van patiënt een volledig reanimatiebeleid was afgesproken. Door in strijd met deze richtlijnen en protocollen zelfstandig en op basis van onvolledige informatie te beslissen om niet tot reanimatie over te gaan, heeft zij haar verantwoordelijkheid als arts in ernstige mate veronachtzaamd.

Verweerster heeft niet haar verantwoordelijkheid genomen door, nadat zij de dood had vastgesteld, niet zelf met de echtgenote te bellen en haar op de hoogte te stellen van het overlijden van patiënt en haar niet op adequate wijze op te vangen. Zij heeft daarmee gehandeld in strijd met de zorgplicht die op haar rust ten opzichte van de naasten van patiënt. De Inspectie concludeert dat verweerster in strijd heeft gehandeld met de normen zoals genoemd in artikel 47, eerste lid, sub a van de Wet BIG.

4.         HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER

Verweerster voert -zakelijk weergegeven- het volgende aan.

Verweerster betreurt de calamiteit ten zeerste. Er is een patiënt overleden en zij heeft er moeite mee zich te verweren tegen de kritiek op haar functioneren. Toch ziet zij zich hiertoe genoodzaakt.

Ten eerste wil verweerster een aantal belangrijke uitgangspunten benoemen. Blijkens de rapportage van het interne onderzoek van het ziekenhuis ligt de vermijdbaarheid van de calamiteit vooral in de plaats waar de patiënt behandeld werd. Doordat de patiënt op de verpleegafdeling behandeld bleef, is niet opgemerkt dat hij uitgeput raakte. Dit had voorkomen kunnen worden indien de hoofdbehandelaar eerder had besloten de patiënt naar de IC-afdeling over te plaatsen.

Binnen de vakgroep interne geneeskunde waren de verhoudingen slecht. Dit werd hoofdzakelijk veroorzaakt door een te hoge werkdruk, waarbij er binnen de vakgroep sprake was van een scheve werkverdeling. Hierbij was er tevens sprake van pestgedrag gedurende ruim een jaar door enkele leden van de vakgroep, waaronder de hoofdbehandelaar die, aldus verweerster, tamelijk intimiderend kon zijn. Dit pestgedrag richtte zich tegen verweerster. Deze omstandigheden hebben ertoe geleid dat verweerster onder zware psychische druk stond, hetgeen angst- en slaapstoornissen veroorzaakte. Dit werd mede veroorzaakt doordat steeds werk voor haar bleef liggen en haar werk zonder haar inspraak werd toebedeeld tijdens haar avond- of nachtdienst, en onderzoeken waar nodig niet werden geïnitieerd dan wel niet werden gedocumenteerd.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel stelt verweerster het volgende. Zij kreeg de patiënt overgedragen in de middag van 25 oktober 2016. Vanaf dat moment nam zij als waarnemer tijdelijk het hoofdbehandelaarschap over. Zij was hiermee eindverantwoordelijk en zij mocht bij niet-beschikbaarheid van de hoofdbehandelaar ook over het aanpassen van het reanimatiebeleid beslissen. Dit volgt ook uit het onderzoeksrapport van het ziekenhuis. Haar beslissing om niet te reanimeren was, naar zij meende, medisch-inhoudelijk juist. Zij staat nog steeds achter deze beslissing, daargelaten hoe deze tot stand is gekomen. Voorts was zij op het moment van wijziging van de reanimatiecode volledig geïnformeerd.

Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel erkent verweerster achteraf dat zij zelf de echtgenote van patiënt had moeten bellen. Zij betreurt de onprettige gang van zaken die hierdoor is veroorzaakt, zowel ten aanzien van de echtgenote als ten aanzien van de verpleegkundige. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is echter geen sprake. Verweerster wilde graag goed geïnformeerd de echtgenote te woord kunnen staan. Door de verpleegkundige eerst te laten bellen werd het voor verweerster mogelijk om het dossier te bestuderen alvorens de echtgenote face-to-face over het slechte nieuws te informeren. Hierbij speelde een rol dat verweerster eerder een negatieve ervaring had gehad met het onmiddellijk brengen van slecht nieuws aan familie door de telefoon. Verweerster heeft derhalve zorgvuldige en te rechtvaardigen redenen gehad om de verpleegkundige met de echtgenote te laten bellen en haar te verzoeken naar het ziekenhuis te komen. Dat de echtgenote vervolgens niet is opgevangen in het ziekenhuis en alleen de kamer van haar man is binnengelopen, is zeer ongelukkig. Dit is echter verweerster niet aan rekenen maar is een vervelende samenloop van omstandigheden.

Verweerster is van mening dat de informatievoorziening aan de familie al eerder tekortschoot. De communicatie vanuit het ziekenhuis was tijdens de eerdere opname en na de heropname summier geweest. De echtgenote van klaagster bleek tijdens het gesprek met verweerster niet goed op de hoogte van de slechte pulmonale toestand van haar man. Het nieuws van zijn overlijden kwam daardoor extra hard aan. Dit kan echter niet geheel op verweerster worden afgewenteld.

Tot slot is verweerster van mening dat het ziekenhuis haar onvoldoende kans heeft gegeven haar verhaal goed te doen. Zo is zij uitgesloten van het vakgroepoverleg waarin de calamiteit werd besproken. Ook heeft zij niet mogelijkheid gekregen deel te nemen aan een gesprek met de familie.

5.         DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het college stelt verder voorop dat de klacht ziet op het handelen van verweerster. Al het overige dat in deze casus speelt, is niet aan het college ter beoordeling voorgelegd en kan dus ook niet beoordeeld worden.

5.3

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel wordt als volgt overwogen. Tussen patiënt en zijn hoofdbehandelaar was reanimatiecode A afgesproken. Dat wil zeggen dat er geen behandelbeperkingen waren. Naar het oordeel van het college heeft verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door deze code te wijzigen op het moment dat zich de situatie voordeed waarvoor deze code was afgesproken. Verweerster heeft niet aannemelijk kunnen maken op grond waarvan zij dit gerechtvaardigd heeft kunnen doen. Haar stelling dat zij als (waarnemend) hoofdbehandelaar de code kon wijzigen omdat patiënt gecollabeerd was en gereanimeerd werd, en dat er enige tijd overheen was gegaan omdat de slang van de beademing te kort was om patiënt hierop aan te sluiten, wordt door het college niet gevolgd. Ook volgt het college de stelling niet dat patiënt vanwege zijn slechte uitgangspositie niet te reanimeren was. Een reanimatie-code wordt immers juist afgesproken voor het geval dat een reanimatie zich voordoet en in zoverre was er dus geen sprake van gewijzigde omstandigheden die verandering van de code rechtvaardigden. Daar komt bij dat verweerster de beslissing telefonisch, derhalve op afstand, heeft genomen en onvoldoende geïnformeerd was over de reanimatie en de toestand van patiënt op dat moment. Ze heeft patiënt bovendien zelf niet beoordeeld, niet bij het ingaan van de dienst noch op het moment dat de reanimatiesetting zich voordeed. Ze had zich alleen in het medisch dossier verdiept. Het reanimatiereglement schrijft voor dat verweerster naar het ziekenhuis had moeten komen om zichzelf een beeld te vormen van patiënt en daarna pas een beslissing over de voortzetting of stopzetting van de reanimatie te nemen. Indien verweerster het medisch gezien zinloos handelen had gevonden patiënt naar de IC over te plaatsen bij verslechtering c.q. een reanimatiesetting, had zij patiënt zelf moeten beoordelen bij het ingaan van haar dienst, dan had zij op dat moment de reanimatiecode kunnen wijzigen nadat zij patiënt gesproken en geïnformeerd had. Het college kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verweerster het de gehele tijd al niet eens was met de afgesproken reanimatiecode A, maar dit was niet de manier om die te wijzigen.

Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.

5.4

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel overweegt het college als volgt. Het is regel noch bestaande praktijk dat in een situatie als de onderhavige niet aan een verpleegkundige gevraagd zou mogen worden te bellen met de familie van de patiënt. De verpleegkundige heeft achteraf verklaard dat zij deze opdracht niet passend vond, maar dat zij toch gebeld heeft omdat verweerster aandrong. Verweerster heeft gesteld dat zij op dat moment niet heeft gemerkt dat de verpleegkundige zich hier erg ongemakkelijk bij voelde. Niet duidelijk is geworden wat de instructie van verweerster precies is geweest. Het verzoek van verweerster was in ieder geval ingegeven door de wens om de familie zelf persoonlijk te kunnen informeren over het overlijden van patiënt, hetgeen getuigt van zorgvuldigheid. Niet kan worden gezegd dat verweerster met haar verzoek aan de verpleegkundige in strijd heeft gehandeld met wat van haar als redelijk bekwaam handelend arts verwacht mag worden. Dat zij de verpleegkundige heeft verzocht de echtgenote te vragen naar het ziekenhuis te komen en nog niet te vertellen dat patiënt was overleden, acht het college gelet op de omstandigheden van het geval verdedigbaar. Verweerster wilde blijkbaar goed voorbereid het gesprek met de echtgenote aangaan. In de tijd die nodig was om naar het ziekenhuis te komen wilde zij zich inlezen in het poliklinisch dossier van patiënt om te bezien in hoeverre het overlijden onverwacht kwam voor de familie. Vervolgens zou zij in een persoonlijk gesprek met de echtgenote haar zelf over het overlijden van haar man berichten en haar daarbij zo goed mogelijk kunnen informeren over wat er was gebeurd. Dat de echtgenote haar man levenloos in bed heeft aangetroffen, is naar het oordeel van het college het gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden die verweerster niet valt aan te rekenen. Dit klachtonderdeel kan gelet op het bovenstaande niet slagen.

5.5

Nu de klacht gedeeltelijk gegrond is, dient er een maatregel te volgen. Gelet op de ernst van het verwijt zal een berisping worden opgelegd. Het college realiseert zich dat verweerster zwaar is getroffen door onder meer de gevolgen van deze casus. Zij heeft tot aan de zitting niet meer gewerkt en de samenwerking met het ziekenhuis wordt beëindigd. Hier staat tegenover dat verweerster heeft volgehouden dat haar beslissing om de reanimatiecode te wijzigen hoofdzakelijk juist was, terwijl dit handelen als onprofessioneel is te beschouwen.

3.                 Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.                 Beoordeling van het beroep

In het principaal beroep

4.1       In het principaal beroep heeft de internist haar standpunten in eerste aanleg herhaald en nader toegelicht. De internist stelt zich primair op het standpunt dat zij niet klachtwaardig heeft gehandeld. Voor zover het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat de internist wel klachtwaardig heeft gehandeld, meent de internist dat sprake moet zijn van evenredigheid tussen de zwaarte van de gedragingen en de opgelegde maatregel. Dit is volgens de internist niet het geval met een berisping. 

4.2       De inspectie voert in het principaal beroep verweer en concludeert tot verwerping van het principaal beroep.

4.3       Evenals het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de internist de onomkeerbare beslissing om de reanimatie te laten stoppen in beginsel niet telefonisch had mogen nemen. De overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege over die beslissing worden door het Centraal Tuchtcollege overgenomen. De internist had – gelet op de met de patiënt afgesproken code A - naar het ziekenhuis moeten komen, alwaar zij de situatie zelf had moeten beoordelen voordat zij tot een andersluidende beslissing kwam. Dit klemt te meer nu zij de patiënt kort voordien niet zelf had beoordeeld om mogelijk het reanimatiebeleid te wijzigen. Slechts in uitzonderlijke situaties kan een arts de beslissing te stoppen met reanimeren nemen zonder in het ziekenhuis aanwezig te zijn. Van een dergelijke situatie is het Centraal Tuchtcollege niet gebleken. Daarmee is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de internist tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Omtrent de mate van verwijtbaarheid zal het Centraal Tuchtcollege hierna een oordeel geven.

In het incidenteel beroep:

4.4       De inspectie voert in het incidenteel beroep aan dat het op de weg van de internist had gelegen zelf de nabestaanden te bellen en deze te informeren over de gebeurtenissen. Op grond van de juiste informatie had de echtgenote dan de kans gekregen zich te laten vergezellen bij haar komst naar het ziekenhuis. Volgens de inspectie had de internist zich ook na het telefoongesprek kunnen voorbereiden op het gesprek met de nabestaanden.

4.5       Volgens de internist heeft het Regionaal Tuchtcollege terecht overwogen dat het regel noch bestaande praktijk is dat in een situatie als de onderhavige niet aan een verpleegkundige gevraagd zou mogen worden te bellen met de familie van een patiënt. Dit blijkt evenmin uit het ziekenhuisreglement of het KNMG kwaliteitskader. De internist meent dat zij juist zorgvuldig handelde door de tijd te nemen het dossier te bestuderen alvorens met de familie van de patiënt over het overlijden te spreken.

4.6       Het Centraal Tuchtcollege schaart zich achter de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege en overweegt in aanvulling daarop dat er geen regel aan in de weg staat de verpleegkundige in een situatie als de onderhavige met de nabestaande te laten bellen. Vast staat dat de internist voornemens was zelf in gesprek te gaan met de nabestaanden van de patiënt en dat zij dit gesprek goed wilde voorbereiden, hetgeen het Centraal Tuchtcollege als zorgvuldig beoordeelt. De stelling van de inspectie dat de nabestaande altijd reeds aan de telefoon dient te worden medegedeeld dat een dierbare is overleden, vindt geen steun in protocollen of richtlijnen. Het staat een zorgverlener vrij om al naar gelang de situatie zich voordoet, te handelen.Dat door een ongelukkige samenloop van omstandigheden de weduwe onvoorbereid haar overleden echtgenoot aantrof zonder eerst de internist te spreken, is aan de internist niet te verwijten.Dit betekent dat het incidenteel beroep zal worden verworpen.

In het principaal en incidenteel beroep

4.7       Ter terechtzitting in beroep heeft de internist verklaard dat zij weliswaar onjuist heeft gehandeld ten aanzien van de beslissing de reanimatie te staken, maar dat zij wel gewetensvol heeft gehandeld. Het Centraal Tuchtcollege is daar ook van overtuigd geraakt. Onder deze omstandigheden, mede bezien in het licht dat de internist na het telefoongesprek met de verpleegkundige direct naar het ziekenhuis is gekomen, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat een waarschuwing volstaat. Dit betekent dat in het principaal beroep de beslissing zal worden vernietigd en aan de internist de maatregel van waarschuwing zal worden opgelegd.

4.8       Ten slotte verzoekt de internist de inspectie te veroordelen in de proceskosten. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) thans geen regeling met betrekking tot een kostenveroordeling is opgenomen. Dit brengt mee dat het verzoek moet worden afgewezen als niet op de wet gegrond.

5         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

in principaal beroep:

                                              vernietigt de beslissing waarvan beroep;

                                               legt aan de internist de maatregel van waarschuwing op;

in incidenteel beroep:

                                               verwerpt het beroep; 

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter, B.J.M. Frederiks en

M.W. Zandbergen, leden-juristen en H.E. Sluiter en R.A. Veenendaal, leden-beroepsgenoten en

M. van Esveld, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 4 april 2019.

print dit artikel
  • Sophie Broersen

    Journalist en arts niet-praktiserend Sophie Broersen schrijft over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieert zij tuchtzaken.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Martijn Groenendijk, Longarts-Intensivist, Hoofddorp 13-06-2019 10:41

    "Ik negeer met enige regelmaat het beleid t.a.v. reanimeren en beademen dat op een afdeling is gemaakt. Maar ik bespreek het wel en uiteraard beargumenteer ik het ook. Niet zelden is het antwoord op de vraag wat het reanimatie en beademingsbeleid is bij een patiënt: "volledig, patiënt wil nog alles en de familie ook". De vraag wat dan de inspanningstolerantie van de bewuste patiënt is, is nooit gesteld.
    Sommige patiënten zijn nu eenmaal niet te reanimeren. En voor invasieve beademing moet je best een redelijke basisconditie hebben. Afspraken en gesprekken over het code beleid zijn vaak onzorgvuldig en worden tussen neus en lippen gedaan is mijn ervaring. En dan kom je 's nachts ineens bij een patiënt waarbij je, je serieus bij afvraagt, waar zijn we in godsnaam mee bezig. Ik zou in deze casus wel willen weten wat de afwegingen waren voor en tegen het reanimatiebeleid. In huis komen was wellicht netjes geweest, maar meestal niet effectief of bijdragend. Het reanimatie team is als het goed is voldoende in staat om effectief informatie te geven en tegenwicht te geven bij beleidsbeslissingen. Interessante casus. "

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.