Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Sophie Broersen Anneloes Rube
12 september 2019 12 minuten leestijd
tuchtrecht

Bedrijfsarts in opleiding miskent belang van juist titelgebruik

Plaats een reactie

Wat de aangeklaagde dokter betrof, moest de discussie niet gaan over of hij zich onterecht als bedrijfsarts uitgaf, maar over of hij kwalitatief goede zorg had geleverd. Van dat laatste was hij overtuigd: hij had immers jaren ervaring, hij was in het verleden wel geregistreerd geweest als bedrijfsarts, en had nooit voor de tuchtrechter moeten verschijnen.

Maar toen hij de klagende vrouw begeleidde, was hij basisarts. Mogelijk in opleiding tot bedrijfsarts, maar hij had geen supervisor. Opleidings- en herregistratieregels hebben artsen niet voor niets opgesteld: die staan ergens voor. Je kunt jezelf wel bekwaam vinden, en dat misschien zelfs zijn, maar zolang dat niet gecontroleerd en vastgelegd is door anderen – en dat is wat er bij registratie gebeurt – ben je niet bevoegd. Natuurlijk gaat het niet om die titel op zich, maar om goed zorgen voor je patiënt, maar ook daar viel in dit geval wel iets op af te dingen: hij gaf te veel medische informatie door aan de werkgever. En helder zijn over je functie hoort ook bij goede zorg leveren. Het doel van registratie en titelbescherming is immers bescherming van de patiënt. Hij krijgt een berisping.

Auteurs

Sophie Broersen, arts niet-praktiserend/ journalist

mr. Anneloes Rube, adviseur gezondheidsrecht

download dit artikel met de ingekorte versie van de uitspraak (pdf)
Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorgte Amsterdam d.d. 10 mei 2019 (ingekort door redactie Medisch Contact)

Beslissing naar aanleiding van de op 20 juni 2018 binnengekomen klacht van A, wonende te B, klaagster, gemachtigde C, tegen D, arts, thans werkzaam te E, verweerder.

1.De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift met de bijlagen;

- het verweerschrift;

- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

- de brief van C aan het college van 28 augustus 2018 met bijlagen;

- het proces-verbaal van het op 2 november 2018 gehouden vooronderzoek met bijlagen.

 De klacht is op 23 april 2019 op een openbare zitting behandeld. Partijen waren aanwezig. Klaagster werd bijgestaan door C.

 

2. De feiten

2.1 Verweerder is BIG-geregistreerd (basis)arts en heeft werkzaamheden verricht voor F.

2.2 De werkgever van klaagster maakt gebruik van de diensten van F. Verweerder heeft in dat verband gedurende enige tijd verzuimbegeleiding van klaagster verricht.

2.3 In een ‘Werknemerinformatiekaart’ inzake klaagster staat op datum ‘4 september 2017’ een spreekuurrapportage op naam van verweerder weergegeven met daarbij een verslag vanvoortgang re-integratie per 25 september 2017.

2.4Klaagster heeft op 2 november 2017, 22 november 2017 en 31 januari 2018 aan haar gerichte, ongetekende brieven ontvangen, met steeds daarin weergegeven:

- onderwerp ‘Consultrapportage’,

- de zin ‘Op basis van ons gesprek van [datum, college] adviseer ik u en uw werkgever: (…)’, -verslag van voortgang re-integratie, en

- onderaan voorgedrukt: D bedrijfsarts’.

2.5 In voornoemde brief van 2 november 2017 staat ook vermeld over klaagster:

‘Bekend met psychische stoornis’.

3. De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht bestaat, zakelijk weergegeven, uit de volgende onderdelen:

1. Verweerder heeft

a) re-integratiewerkzaamheden verricht met betrekking tot klaagster en

b) haar een psychologische behandeling voorgesteld,

welke handelingen door de wet zijn voorbehouden aan een bedrijfsarts, terwijl verweerder basisarts zonder specialisme was, volgens eigen zeggen in opleiding tot bedrijfsarts, en niet is gebleken van supervisie door een bedrijfsarts;

2. Verweerder heeft zich ten onrechte jegens klaagster voorgedaan als bedrijfsarts, onder meer in brieven aan klaagster;

3. Verweerder heeft zijn beroepsgeheim geschonden door

a) een brief naar de werkgever van klaagster te sturen, waarin hij vermeldt dat klaagster bekend is met een psychische stoornis,

b) medische informatieover klaagster uit een rapport van een verzekeringsarts naar aanleiding van een door klaagster aangevraagd deskundigenoordeel bij het UWVte geven aan de werkgever van klaagster.

 

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5. De beoordeling

Klachtonderdelen 1 en 2

5.1 Bij de beoordeling van de klachtonderdelen 1 en 2 stelt het college het volgende voorop.

5.1.1 In artikel 17 lid 1 van de Wet BIG is bepaald dat het recht om een specialistentitel te voeren voorbehouden is aan degenen die zijn ingeschreven in het desbetreffende specialistenregister. In artikel 17 lid 2 Wet BIG is bepaald dat het degene aan wie het recht tot het voeren van een krachtens de Wet BIG erkende specialistentitel niet toekomt, verboden is deze titel of een daarop gelijkende benaming te voeren.

De aanduiding “bedrijfsarts” is zo’n specialisme. Artsen die niet als zodanig geregistreerd zijn, mogen zich dus slechts (arbo-)arts noemen. Wel mogen deze artsen handelingen verrichten op het terrein van de bedrijfsarts, mits die handelingen onder supervisie van een geregistreerd bedrijfsarts plaatsvinden (vgl. NVAB Professioneel statuut van de bedrijfsarts (2003).

Daarbij dient de delegatie van taken door de bedrijfsarts te voldoen aan een aantal randvoorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de werknemer in begrijpelijke termen ingelicht dient te worden over het delegeren van elementen van de begeleiding, de eindverantwoordelijkheid van de bedrijfsarts en de mogelijkheid tot consultering van een bedrijfsarts. Het verdient de voorkeur deze kennisgeving schriftelijk te doen. De gedelegeerde zorgt ervoor dat aan de werknemer duidelijk is dat sprake is van delegatie (vgl. NVAB Verenigingsstandpunt inzake de delegatie van taken door bedrijfsartsen in het kader van de sociaal medische begeleiding (in casu versie 2004) .

5.1.2    Voor zover verweerder moet worden aangemerkt als arts in opleiding tot bedrijfsarts (hierna te noemen ‘arts in opleiding’), zoals hij stelt, geldt dat heteen supervisor is toegestaan handelingen over te laten aan een arts in opleiding. Bij de beoordeling van de vraag welke handelingen in welke fase van de opleiding overgelaten kunnen worden aan een arts in opleiding om verricht te worden onder het toeziend oog van de supervisor, dan wel met de supervisor als achterwacht op afroep beschikbaar, moet een doorslaggevende rol worden toegekend aan de inschatting die de supervisor mag hebben van de ervaring en vaardigheid van de arts in opleiding. De supervisor kan slechts opdracht geven tot het zelfstandig verrichten van een handeling in de zin van de Wet BIG, indien hij redelijkerwijs mag aannemen dat de arts in opleiding bevoegd en bekwaam is tot het verrichten van die handeling, de supervisor indien nodig aanwijzingen kan geven en zijn toezicht en eventuele tussenkomst verzekerd zijn. Naarmate er meer aan de arts in opleiding kan worden toevertrouwd, wordt - gaandeweg - de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid gedeeld tussen supervisor en arts in opleiding. Aan het eind van de opleiding zal deze verantwoordelijkheid vrijwel geheel op de schouders van de arts in opleiding komen te rusten. 

5.2      Klachtonderdeel 1-a

Zoals ter zitting is besproken, heeft verweerder - blijkens de vastlegging daarvan – in ieder geval op 4 en/of 25 september 2017,  2 en 22 november 2017 en 31 januari 2018 begeleidingsactiviteiten verricht in het kader van de verzuimbegeleiding van klaagster.

Vaststaat dat verweerder geen BIG-geregistreerd bedrijfsarts was in die periode. Wel was verweerder geregistreerd als bedrijfsarts van 5 april 2012 tot 29 juni 2014. Verweerder heeft tijdens het vooronderzoek en op de zitting meegedeeld dat hij sinds december 2016 via het SGBO (vervolgopleiding tot bedrijfsarts) te G bezig is met een onderwijstraject op maat voor zij-instromers teneinde ge-her-registreerd te worden als bedrijfsarts, dat hij per 4 september 2017 is begonnen met een praktijktraject en hij in dat verband gedurende enige tijd de verzuimbegeleiding van klaagster ter hand heeft genomen. Tijdens dit praktijktraject werd hij begeleid door een praktijkbegeleidster op afstand, met wie hij 1x per maand overleg voerde maar die niet verantwoordelijk was voor zijn handelen, en genoot hij – gegeven zijn langdurige ervaring als bedrijfsarts in het verleden – een ruime mate van zelfstandigheid bij de verzuimbegeleiding van werknemers, aldus verweerder.

De hem ter zitting gestelde vraag of hij op de werkvloer een supervisor zijnde een geregistreerd bedrijfsarts had, die verantwoordelijk was voor zijn handelen, heeft verweerder niet bevestigend beantwoord. Evenmin heeft hij enige feitelijke onderbouwing door middel van schriftelijke documentatie overgelegd over het door hem gestelde opleidingstraject en de invulling daarvan ten tijde van en ten aanzien van de verzuimbegeleiding van klaagster.

Het college houdt het er dan ook voor dat verweerder in zijn hoedanigheid van (basis)arts – zoals door hem gesteld, in opleiding tot bedrijfsarts – zijn verzuimbegeleidingsactiviteiten met betrekking tot klaagster heeft verricht zonder supervisie daarop door een bedrijfsarts. Met inachtneming van voornoemde toetsingskaders is het college van oordeel dat verweerder aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel 1-a is dus gegrond.

5.3      Klachtonderdeel 1-b

Klaagster verwijt verweerder in dit verband tevens dat hij haar een psychologische behandeling heeft voorgesteld, hetgeen verweerder betwist. Dit klachtonderdeel faalt bij gebreke van voldoende feitelijke grondslag. De verwijzing naar een ongedateerd stuk zonder vermelding van afzenderinformatie waarin staat:“Geachte mevrouw A, op basis van ons gesprek op 04-09-2017 adviseer ik u en uw werkgever: (...) Er wordt een speciale therapie geadviseerd.”en naar een ongedateerde, ongetekende brief met een behandelverslag door een GZ-psycholoog, is onvoldoende ter onderbouwing van het verwijt.

Verweerder erkent dat hij klaagster op enig moment gedurende de verzuimbegeleiding een (door klaagster overgelegde) handleiding heeft meegegeven met als titel  ‘Zintuigen aarden spanningen’, bij wijze van handvat om met haar klachten om te gaan. Dit is op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar te achten. 

5.4      Klachtonderdeel 2

 Uit het voorgaande volgt dat verweerder ten tijde van de verzuimbegeleiding van klaagster niet bevoegd was de specialistentitel van bedrijfsarts te voeren. Niettemin staat onderaan de in 2.4 genoemde consultverslagen op naam van verweerder vermeld dat hij “bedrijfsarts” is.

Verweerder heeft tijdens het vooronderzoek gezegd dat hij alleen de tekst formuleerde en dat de ondertekening afkomstig was van de F, dat hij daarbij niet betrokken was en dat de omstandigheid dat F hem in hun correspondentie aanduidt als bedrijfsarts dan dus de verantwoordelijkheid is van de F.  

Het college volgt verweerder niet in dit verweer. Een en ander ontslaat verweerder immers niet van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de juiste aanduiding van zijn titel in rapportages die hij inhoudelijk opstelt en die op zijn naam uitgaan. De organisatie die de opdrachtgever is van de (bedrijfs)arts, dient weliswaar zorg te dragen voor een juiste vermelding van de titel in automatisch gegenereerde formats voor rapportages en andere schriftelijke bescheiden maar de (bedrijfs)arts is en blijft zelf verantwoordelijk voor een juiste vermelding van de titel en dient zich ervan te vergewissen dat zijn/haar rol en positie voor cliënten duidelijk zijn.

Daar komt bij dat verweerder ter zitting heeft erkend dat hij klaagster niet heeft ingelicht over het feit dat hij geen bedrijfsarts was maar basisarts (in opleiding tot bedrijfsarts), noch over het bestaan en de wijze van begeleiding en toezicht op zijn medisch handelen. Verweerder was hiertoe echter, gegeven voormeld toetsingskader, wel gehouden. Verweerder heeft derhalve, gezien de werkzaamheden die hij verrichtte, ten onrechte de indruk gewekt bij klaagster dat hij bedrijfsarts was en daarmee zelfstandig bevoegd werknemers te begeleiden bij re-integratie en verzuim. Dit laatste is onzorgvuldig, nu verweerder niet zelfstandig bevoegd was en het college ook niet heeft kunnen vaststellen dat verweerder onder supervisie van een bedrijfsarts werkte, zoals verplicht is. Dit alles maakt dat ook het tweede klachtonderdeel gegrond is.

Klachtonderdeel 3

5.5       Het college stelt bij de boordeling van klachtonderdeel 3 het volgende voorop. De bedrijfsarts heeft een vertrouwensband met de werknemer en is ten aanzien van de informatieverstrekking aan de werkgever ingevolge artikel 7:457 BW in verbinding met artikel 7:464 BW gebonden aan een beperkt beroepsgeheim. Dat impliceert dat hij (zonder de toestemming van de patiënt/werknemer) alleen die gegevens mag verstrekken die de werkgever daadwerkelijk nodig heeft om te bepalen of de werknemer recht heeft op loondoorbetaling, en informatie in het kader van verzuimbegeleiding en re-integratie van de patiënt/ werknemer. De bedrijfsarts moet de patiënt/werknemer vooraf informeren over deze informatieverstrekking. Alleen met uitdrukkelijke toestemming van de werknemer kan de bedrijfsarts (aanvullende) informatie aan de werkgever verstrekken. Uiteraard is het aan de werknemer zelf óf en welke (medische) informatie hij aan de werkgever of leidinggevende wenst te geven.

De NVAB (Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde) heeft in 2011 in samenwerking met Boaborea (Brancheorganisatie voor re-integratiebedrijven) de leidraad Bedrijfsarts & Privacy tot stand gebracht, waarin duidelijkheid wordt geschapen over hoe die geheimhoudingsplicht zich verhoudt tot de verplichtingen van de bedrijfsarts uit bijvoorbeeld de Wet Verbetering Poortwachter. Ook in deze leidraad is vooropgesteld dat een uitzondering op de geheimhoudingsplicht alleen geldt voor gegevens die onder het zogenaamde noodzakelijkheidscriterium vallen. Dat betekent dat alleen gegevens die de werkgever nodig heeft in het kader van de vaststelling van de (loondoor)betalingsverplichting en de verzuimbegeleiding en re-integratie mogen worden verstrekt. De lei­draad schrijft voorts voor dat werknemers altijd worden geïnformeerd over nut, noodzaak en inhoud van de terugkoppeling en dat alles in het werk wordt gesteld om toestemming van de werknemer te krijgen.

5.6 Klachtonderdeel 3-a

Het college is van oordeel dat de informatie “Bekend met psychische stoornis” geen gegeven is dat de werkgever van klaagster nodig had in het kader van de vaststelling van de (loondoor)betalingsverplichting en re-integratie. Verweerder heeft tijdens het vooronderzoek gesteld, met verwijzing naar het MAOC (Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium) 2001, dat hij deze informatie wel moest noemen aangezien er bij een ziekte zonder stoornis, beperking in de mogelijkheden of belemmering, er geen reden is voor loonbetaling, en dat dit los staat van enige medische informatie. Het college acht dit standpunt niet juist. Verweerder had kunnen en moeten volstaan met het aangeven van de door hem getypeerde beperkingen ten gevolge van de door hem vastgestelde psychische stoornis. Het (tevens) vermelden van de gestelde psychische stoornis als zodanig voldoet niet aan het noodzakelijkheidscriterium. Dat klaagster hiervoor toestemming zou hebben gegeven, is niet gesteld noch gebleken. Dit betekent dat verweerder door deze informatie door te geven aan de werkgever, het medisch beroepsgeheim jegens klaagster heeft geschonden. Klachtonderdeel 3-a is gegrond.

5.7  Klachtonderdeel 3-b

Klaagster verwijt verweerder in dit verband bovendien dat hij medische informatie over klaagster in een rapport van een verzekeringsarts naar aanleiding van een door klaagster aangevraagd deskundigenoordeel bij het UWV heeft gegeven aan de werkgever van klaagster. Concreet verwijst zij hiertoe naar een overgelegd verzoekschrift van een advocaat waarin melding wordt gemaakt van deze informatie. Verweerder betwist dit verwijt. Hij voert aan dat hij geen contact heeft gehad met de desbetreffende verzekeringsarts en evenmin betrokken is geweest bij het opstellen van een probleemanalyse dan wel een plan van aanpak met betrekking tot deze casus. Gezien deze betwisting heeft klaagster dit klachtonderdeel onvoldoende gestaafd met concrete feiten en omstandigheden die duiden op de door haar gestelde betrokkenheid van verweerder. Dit klachtonderdeel faalt dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Conclusie / maatregel

5.8  De conclusie van het voorgaande is dat de klachtonderdelen 1-a, 2 en 3-a gegrond zijn. Verweerder heeft in zoverre gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klaagster had behoren te betrachten.

5.9 De oplegging van een berisping is daarvoor de passende maatregel. Redengevend daarvoor is het volgende. Verweerder heeft in zijn hoedanigheid van (basis)arts (in opleiding tot bedrijfsarts) ten onrechte werkzaamheden verricht ten behoeve van klaagster zonder dat gebleken is van supervisie door een bedrijfsarts, en zich jegens klaagster voorgedaan als bedrijfsarts. Bovendien heeft hij het medisch beroepsgeheim jegens klaagster geschonden door informatie over klaagster aan haar werkgever te sturen zonder dat zich één van de uitzonderingssituaties op dat beroepsgeheim voordeed. Verweerder heeft daardoor op meerdere wijzen het vertrouwen dat klaagster mocht en moest hebben in hem als medisch beroepsbeoefenaar geschonden. Daar komt bij dat verweerder geen enkele erkenning - laat staan spijt - van dit falen heeft geuit. Integendeel, verweerder heeft ter zitting keer op keer benadrukt dat de discussie in de kern zou moeten gaan over de vraag of hij kwalitatief goede gezondheidszorg heeft geleverd aan klaagster, hetgeen hij – gezien zijn jarenlange ervaring als arts, tevens in het verleden als bedrijfsarts, zonder enige tuchtrechtelijke klacht – heeft gedaan. Voor klaagster maakte het dan ook in wezen niet uit of hij wel of niet formeel nog in opleiding was, aldus verweerder. Verweerder miskent hiermee evenwel de essentie van de tuchtrechtelijke verwijten die hem hier gemaakt worden, te weten het onterecht hanteren van een beschermde titelaanduiding en het schenden van zijn verantwoordelijkheid om zich te houden aan de hiervoor aan de orde gekomen normen binnen zijn beroepsgroep, die – juist temeer gezien verweerders staat van dienst – bij hem bekend mogen worden verondersteld. Verweerder lijkt ervan overtuigd te zijn dat voor hem, gezien zijn ervaring, deze regels niet gelden. Dit alles is voor het college aanleiding niet te volstaan met de lichtste maatregel, zijnde een waarschuwing, maar verweerder een berisping op te leggen

5.10  Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, in het bijzonder het belang van een professioneel debat over de onderhavige kwesties binnen de beroepsgroep, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

6. De beslissing

Het college:

-         verklaart klachtonderdeel 1-a gegrond;

-         verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;

-         verklaart klachtonderdeel 3-a gegrond;

-         legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-         wijst de klacht voor het overige af;

bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde (TBV) ter bekendmaking zal worden aangeboden.

Aldus beslist door:

P.J. van Eekeren, voorzitter,

I. Boekhout, C.A.W.M. Hertog, H. Donkers, leden-beroepsgenoten,

M.P. Sombroek-van Doorm, lid-jurist,

bijgestaan door  S.S. van Gijn, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2019 door de voorzitter in aanwezigheid van de

secretaris.

recht tuchtrecht
  • Sophie Broersen

    Journalist en arts niet-praktiserend Sophie Broersen schrijft over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieert zij tuchtzaken.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.