Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Sophie Broersen en Anneloes Rube
17 april 2017 9 minuten leestijd
tuchtrecht

Arts weet niets van eigen tuchtzaak

1 reactie

Het zal je maar gebeuren: je kijkt in het BIG-register om te checken wanneer je registratie verloopt, en ziet een berisping van het tuchtcollege bij je naam staan. Je weet van niets, bent je van geen tuchtzaak bewust, en je bent te laat om in beroep te gaan tegen de uitspraak.

Dat overkwam de huisarts in deze tuchtzaak. Gelukkig kan het tuchtcollege uitzonderingen op de beroepsperiode maken als de verweerder kan aantonen dat hij redelijkerwijs niet sneller had kunnen reageren. In dit geval was het een samenloop van omstandigheden: de huisarts had zijn praktijk overgedragen, was gestopt met werken, en woonde al jaren niet meer op het privéadres dat blijkbaar in het BIG-register stond.

Het Centraal Tuchtcollege neemt zijn beroep in behandeling, en daardoor kan de huisarts een deel van de klachten weerleggen. De berisping wordt omgezet in een waarschuwing.

Eén klachtonderdeel blijft gegrond, dat over de overdracht van het dossier van de zoon van klaagster. Zij was na een scheiding verhuisd, en wilde dat de oude huisarts het dossier naar haar nieuwe huisarts zou opsturen. Dat deed hij niet, omdat vader geen toestemming daarvoor gaf. Het Centraal Tuchtcollege verwijst naar een praktijkdilemma van de KNMG Artseninfolijn om duidelijk te maken hoe hij het beter had kunnen aanpakken: een kopie van het dossier aan de nieuwe huisarts overdragen, zelf het origineel behouden, ouders hiervan op de hoogte stellen en naam van de nieuwe huisarts aan de vader doorgeven. Het is in het belang van het kind dat de nieuwe huisarts over alle relevante informatie beschikt.

Sophie Broersen, arts/journalist

Anneloes Rube, gezondheidsjurist

Lees hier de volledige uitspraak

Verloop van de procedure

C, hierna klaagster, heeft op 17 september 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen A, hierna de huisarts, een klacht ingediend. Bij beslissing van 10 juni 2015, onder nummer 14189, heeft dat college de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard, aan de huisarts de maatregel van berisping opgelegd en publicatie van de beslissing gelast. (…)

02

Beslissing in eerste aanleg

Het regionaal tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

‘2 De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Verweerder was huisarts van het gezin dat bestond uit vader, moeder en minderjarige zoon (geboren in 2006). Vader en moeder kwamen in 2012 in een echtscheidingssituatie terecht, waarna moeder met haar zoon in dat jaar verhuisde naar een andere stad. Zij liet zichzelf en haar zoon daar in maart 2012 inschrijven bij een nieuwe huisarts. Deze nieuwe huisarts verzocht verweerder per fax van 19 maart 2012 om overdracht van het medisch dossier van de zoon. Verweerder gaf hieraan geen gevolg. In diverse telefonische contacten tussen moeder en verweerder dan wel diens assistente werd als reden daarvoor door of namens verweerder aangevoerd dat vader ook toestemming moest geven voor de overdracht van het dossier van de zoon en dat vader die overdracht uitdrukkelijk had verboden. Verweerder droeg het dossier uiteindelijk over op 21 januari 2013.

De zoon heeft blijkens het dossier in zijn leven al veel gezondheidsproblemen gehad, is meermalen in het ziekenhuis opgenomen geweest en heeft eenmaal een operatie ondergaan. Doordat het dossier eerst na tien maanden is overgedragen, zijn bij hem enige onderzoekshandelingen uitgevoerd die mogelijk niet nodig waren geweest indien het dossier tijdig beschikbaar was gesteld.

Het uiteindelijk door verweerder overgedragen dossier van de zoon bevat geen informatie over de gang van zaken rond de dossieroverdracht met uitzondering van een aantekening van 1 maart 2012 over door E verstrekte informatie, die inhoudt dat informatie over de zoon alleen mag worden vrijgegeven met akkoord van beide ouders. (…)’

03

Vaststaande feiten en omstandigheden

(…)

04

Beoordeling van het beroep

4.1 De aangeklaagde huisarts was de huisarts van een gezin bestaande uit vader, moeder en hun minderjarige zoon. Na de echtscheiding verhuisde de moeder naar D en zij liet zich daar inschrijven bij een nieuwe huisarts. De nieuwe huisarts heeft de aangeklaagde huisarts gevraagd om overdracht van het medisch dossier van de zoon.

Klaagster verwijt de huisarts:

a. dat hij het medisch dossier pas na bijna een jaar heeft overgedragen aan de opvolgende huisarts;

b. dat het dossier niet volledig is, omdat er niets in staat omtrent de gang van zaken met betrekking tot de overdracht van het dossier en omdat er een aantal stukken betreffende meldingen van de SEH ontbreken;

c. dat sommige gegevens in het dossier niet correct zijn vermeld.

4.2 Het regionaal tuchtcollege heeft de onder a. en b. genoemde klachtonderdelen gegrond bevonden, het onder c. genoemde klachtonderdeel afgewezen en de huisarts voor het gegrond verklaarde deel de maatregel van berisping opgelegd. De huisarts is wat betreft de gegrond verklaarde klachtonderdelen in beroep gekomen, alsmede van de aan hem opgelegde maatregel. Klaagster is niet incidenteel in beroep gekomen van de ongegrond bevinding van het onder c. genoemde klachtonderdeel.

4.3 Klaagster heeft ter terechtzitting in beroep verweer gevoerd. Zij stelt zich primair op het standpunt dat de huisarts niet in zijn beroep kan worden ontvangen nu dat te laat is ingesteld. Subsidiair concludeert klaagster tot bekrachtiging van de beslissing van het regionaal tuchtcollege en daarmee tot verwerping van het beroep.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

4.4 Ingevolge het bepaalde in artikel 73 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) dient op straffe van niet-ontvankelijkheid beroep te worden ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van de bestreden beslissing van het regionaal tuchtcollege. Op grond van artikel 73 lid 3 Wet BIG blijft, wanneer het beroep na afloop van deze termijn is ingesteld, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien de indiener aantoont dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs van hem verlangd kon worden.

4.5 De bestreden beslissing is bij brief van 10 juni 2015 aan de huisarts verzonden. Het beroepschrift had derhalve uiterlijk op 22 juli 2015 door het regionaal tuchtcollege ontvangen moeten zijn.

4.6 Op 9 oktober 2015 heeft de huisarts telefonisch contact opgenomen met het regionaal tuchtcollege. Naar aanleiding van dit telefonisch contact zijn bij brief van 14 oktober 2015 de beslissing van 10 juni 2015 en alle processtukken waarop deze beslissing is gebaseerd aan de huisarts toegezonden. Op 5 november 2015 heeft het regionaal tuchtcollege van de huisarts een beroepschrift ontvangen.

4.7 In zijn beroepschrift stelt de huisarts met betrekking tot de ontvankelijkheid het volgende:

‘Toen ik voor enkele weken het BIG-register opende om de duur van mijn huidige registratie na te kijken zag ik dat er in verband met een klacht door het tuchtcollege d.d. 10 juni 2015 een berisping op mijn naam uitgesproken was.

Ik heb niets van de door jullie hierover aan mij gestuurde post ontvangen. In september 2014 heb ik immers de huisartsenpraktijk overgedragen en ben ik gestopt met werken. Daarnaast is sinds juli 2003 mijn privéadres (…). In de bijlage de brief van de gemeente als bewijs hiervan.

Hierop heb ik onmiddellijk gereageerd en met jullie via telefoon en mail contact opgenomen.

Om bovengenoemde redenen wil ik het tuchtcollege vragen mijn beroep tegen de uitspraak d.d. 10 juni 2015 in dit dossier ontvankelijk te verklaren hoewel de beroepstermijn verstreken is.’

4.8 Met het hiervoor door de huisarts gestelde en mede gelet op het door hem overgelegde document van de gemeente F houdende een overzicht van de woonadressen van de huisarts in de periode van 24 juni 1951 tot heden, heeft de huisarts naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldoende aannemelijk gemaakt dat de correspondentie van het regionaal tuchtcollege met betrekking tot de procedure in eerste aanleg, daaronder begrepen de brief van 10 juni 2015 met de thans bestreden beslissing, de huisarts niet heeft bereikt.

4.9 Gelet op het voorgaande oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de huisarts met het door hem aangevoerde heeft aangetoond dat hij zijn beroep heeft ingesteld zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 73 lid 3 van de Wet BIG dient niet-ontvankelijkverklaring derhalve achterwege te blijven. De huisarts kan in zijn beroep worden ontvangen.

Ten gronde

4.10 Met betrekking tot het onder 4.1a genoemde klachtonderdeel wordt als volgt geoordeeld.

4.11 De huisarts heeft niet bestreden dat hij het medisch dossier van de minderjarige zoon van klaagster bijna een jaar nadat daarom was verzocht heeft opgestuurd naar de nieuwe huisarts, maar hij heeft zich erop beroepen dat de vader van de minderjarige zoon heeft geweigerd toestemming te geven voor het doorsturen van het medisch dossier aan de nieuwe huisarts. Op 1 maart 2012 adviseerde het E te B dat informatie over de zoon enkel mag worden vrijgegeven met akkoord van beide ouders. De rechtbank zou onderzoek doen en snel een beslissing nemen. Dit is telefonisch door de praktijkassistente meegedeeld aan klaagster.

4.12 De opvatting van de huisarts is onjuist. In dergelijke gevallen adviseert de KNMG de huisarts, voor zover van belang, als volgt te handelen:

‘(...) Als de huisarts er, ondanks een klemmend beroep, niet in slaagt van beide ouders toestemming te krijgen voor inschrijving bij een nieuwe huisarts, dan adviseren wij de huisarts om beide ouders te laten weten dat hij een kopie van de dossiers overdraagt aan de nieuwe huisarts, maar zelf het origineel behoudt. De huisarts meldt aan de vader ook de naam van de nieuwe huisarts, zodat hij zich daar kan vervoegen met vragen over de gezondheid van zijn kinderen. (...)’

De huisarts heeft niet dienovereenkomstig gehandeld en hij heeft, zoals ter zitting van het Centraal Tuchtcollege is gebleken, ook geen contact opgenomen met de KNMG voor advies, zoals wel op zijn weg had gelegen indien hij met deze handelwijze onbekend was.

4.13 Gelet daarop slaagt het klachtonderdeel, zodat in zoverre het beroep van de huisarts faalt.

4.14 Met betrekking tot het onder 4.1b genoemde klachtonderdeel heeft het regionaal tuchtcollege als volgt geoordeeld:

‘Het college acht ook het tweede klachtonderdeel gegrond. Het college heeft op basis van het door klaagster overgelegde dossier vastgesteld dat hierin een aantal dingen ontbreekt. In de eerste plaats zijn niet vermeld de gebeurtenissen rond de overdracht van het dossier, inclusief het door verweerder gestelde weigerachtige standpunt van de vader. Ook dit betreft voor de hulpverlening relevante gegevens, omdat het bestaan van onenigheid tussen de ouders die gezamenlijk het gezag hebben over een minderjarige relevant kan zijn voor (het verkrijgen van toestemming voor) toekomstig medisch handelen. In de tweede plaats ontbreekt bij diverse SEH-meldingen het bijbehorende verslag of de bijbehorende brief. Reeds op basis hiervan kan worden geoordeeld dat verweerder het dossier niet juist heeft bijgehouden, wat in strijd is met de dossierplicht zoals is neergelegd in artikel 7:454 BW en in artikel II.13 van de KNMG-richtlijn Gedragsregels voor artsen.’

4.15 De huisarts heeft bij faxbrief van 21 juli 2016 aanvullende medische gegevens uit het medisch dossier overgelegd. Voor zover van belang, valt daarin onder meer het volgende te lezen:

‘20-09-12

S Vraagt bij welke ha in D zoon is

S ingeschreven?

P Ik weet niet of ik dat door mag geven, maar het

P staat ook niet in het dossier. Raad voor

P kinderbescherming heeft het advies gegeven dat

P G beter bij vader kan wonen. Over 1,5 mnd

P uitspraak van de rechter. Adv: probeer die ha te

P achterhalen via de raad

31-05-12

S Iom HH en OV: verwezen naar centrum voor jeugd en

S gezin. Daar meer info over deze juridische vragen.

S 0800-5566555

14-05-12sw

S vrouw woont in D., G. gaat daar nr

S speltherapie, over 3w gesprek met deze, vader

S heeft toestemming hiertoe geweigerd, wil nu weten

S waarom deze met therapie gestart is, of dit wel

S positief zal zijn vr G....; heeft nu advocaat

S Kinderbescherming vraagt ook om medewerking

P adviesgesprek

19-03-12

S ivm scheiding is casus v G. doorgegeven dr

E a RVK; a.s. woensdag zal rechter

S uitspraak doen

P adviesgesprek

(...)’

4.16 Daarmee heeft de huisarts naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldoende aangetoond dat het door hem bijgehouden patiëntendossier van de zoon van klaagster naar behoren de gegevens bevatte omtrent onder meer de weigering van de vader het dossier ter beschikking te stellen van de nieuwe huisarts. Voorts heeft de huisarts het volgende aangevoerd in zijn beroepschrift:

‘De ontvangen verslagen van de huisartsenpost, SEH en specialistenbrieven, lab. e.d. zijn te vinden in achterliggende schermen. Gegevens in het dossier vermeld als attentieregel zijn enkel zichtbaar voor medewerkers. Overigens lees ik nergens welke berichten van de SEH ontbreken.’ (...)

4.17 Klaagster heeft de juistheid van deze door de huisarts in appel gegeven onderbouwing niet voldoende (gemotiveerd) bestreden, zodat het Centraal Tuchtcollege van de juistheid daarvan uitgaat. Daarmee heeft de huisarts aannemelijk gemaakt dat het patiëntendossier van de zoon van klaagster ook in zoverre de toets der kritiek kan doorstaan. (…) Dit klachtonderdeel faalt derhalve, en in zoverre slaagt het beroep van de huisarts.

4.18 Het voorgaande brengt mee dat de opgelegde maatregel van een berisping niet in stand kan blijven. Het Centraal Tuchtcollege ziet, gelet op de gegrondbevinding van het onder 4.1a genoemde klachtonderdeel, aanleiding te volstaan met oplegging van de maatregel van een waarschuwing. (…)

05

Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

- vernietigt de beslissing waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende,

- verklaart het onder 4.1a vermelde klachtonderdeel gegrond,

- verklaart het onder 4.1b genoemde klachtonderdeel alsnog ongegrond,

- legt op de maatregel van een waarschuwing; (…)

Deze beslissing is gegeven door mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mr. A.R.O. Mooy en mr. R.A. van der Pol, leden-juristen, dr. W. de Ruijter en drs. M.G.M. Smid-Oostendorp, leden-beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 november 2016.

pdf van het tijdschriftartikel

Het is niet toegestaan downloads van artikelen te verspreiden.

print dit artikel
tuchtrecht
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Thomas Müller, uroloog, Drachten 17-04-2017 21:38

    "En dat vinden wij dan de tuchtnorm. Volgens mij had deze zaak net zo makkelijk geplaatst kunnen worden als de arts zich precies conform het voorstel van het college had gedragen. Dit hoort toch niet bij een rechtbank. Er is ontbrekende rechtszekerheid voor artsen. Een kleine derde van alle ouders is gescheiden, elke maand pret in de tuchtpublicatie van medisch contact, en elke keer denk ik "als ik er maar niet mee in aanraking kom" - Dit begrijpt toch ondertussen niemand meer. "