Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Sophie Broersen Antina de Jong
13 mei 2019 12 minuten leestijd
Uitspraak tuchtcollege

Arts had echtgenote patiënt zelf moeten uitnodigen voor gesprek

6 reacties
Getty Images
Getty Images

Omgaan met de aftakeling van een geliefde die je niet zelf meer kunt verzorgen: de naasten van verpleeghuispatiënten krijgen nogal wat voor hun kiezen.

Natuurlijk willen zij de best mogelijke zorg voor hun dierbare en is het moeilijk te accepteren dat iemand verder achteruitgaat. Maar dat gebeurt soms toch ondanks adequate zorg.

Dat vereist goede communicatie vanuit de instelling. Veel hiervan wordt opgevangen door de verzorging, maar bij grote onvrede – zeker over medisch beleid – moet de arts in actie komen. Is dat in de casus waar het in deze tuchtzaak over gaat voldoende gebeurd?

De klaagster – echtgenote van een patiënt met onder meer vasculaire dementie, korsakov en epilepsie – vindt van niet. De specialist ouderengeneeskunde zegt dat ze regelmatig met de vrouw heeft gesproken, maar daar staat niets over in het dossier. Dat wil niet zeggen dat het niet is gebeurd, maar het tuchtcollege kan er niets mee. De arts kan ook op de zitting niet goed vertellen wanneer die gesprekken plaatsvonden en waar het over ging.

Onvrede is lang niet altijd weg te nemen. Soms kan iemand zelf actief uitnodigen voor een gesprek de kou uit de lucht halen. Het lost niet alles op, maar het kan wel duidelijk maken dat het doel hetzelfde is: de best mogelijke zorg voor de patiënt. Zeker bij een patiënt bij wie het in een eerdere instelling al niet goed ging. Overigens weegt de tuchtrechter hier mee dat de communicatie met deze klaagster ook op andere afdelingen tot problemen leidde.

Medisch-inhoudelijk viel de arts niets te verwijten, maar vanwege onvoldoende communicatie met de echtgenote van de patiënt krijgt zij een waarschuwing.

Sophie Broersen, arts niet-praktiserend/journalist

mr. Antina de Jong, adviseur gezondheidsrecht

download het artikel met de ingekorte uitspraak (pdf)

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

 

Beslissing naar aanleiding van de op 16 juli 2018 binnengekomen klacht van:

A,

als wettelijk vertegenwoordigster van B (hierna: patiënt),

wonende te C,

k l a a g s t e r ,

gemachtigde: D, wonende te E,

 

tegen

 

F,

arts,

werkzaam te G,

v e r w e e r s t e r ,

gemachtigde: mr. Ch.L. van den Puttelaar, advocaat te Rotterdam.

 

 

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-                     het klaagschrift met de bijlagen;

-                     het verweerschrift met de bijlagen;

-                     het bij brief van 9 oktober 2018 door mr. Van den Puttelaar toegezonden rapport van de Klachtencommissie van H van 5 september 2018 met als bijlage het verslag van de hoorzitting in de klachtprocedure;

-                     het bij brief van 21 december 2018 toegezonden overzicht met de uitslagen van laboratoriumonderzoeken en nogmaals voornoemde uitspraak van 5 september 2018 met als bijlage het verslag van de hoorzitting in de klachtprocedure;

-                     het bij brief van 7 december 2018 op verzoek van het college door mr. Van den Puttelaar toegezonden medisch dossier van patiënt in de zaak met nummer 18/309VP, waaronder de rapportage van de verpleegkundigen en verzorgenden, de weeglijsten en metingen, de medicatie deel/aftekenlijsten en de zorgleefplannen. Tevens is daar bij gevoegd een brief van de I te J van 24 september 2018. Mr. Van den Puttelaar heeft bij brief van 21 december 2018 het college verzocht ook in de onderhavige zaak kennis te nemen van deze stukken;

-                     de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                     het proces-verbaal van het op 19 oktober 2018 gehouden vooronderzoek;

-                     de correspondentie met betrekking tot de behandeling ter zitting.

 

De klacht is op een openbare zitting gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 18/287 tegen een collega van verweerster.

Partijen en hun gemachtigden waren aanwezig. Mr. Van den Puttelaar heeft een toelichting gegeven aan de hand van een pleitnota die aan het college en de wederpartij is overgelegd.

Ter zitting heeft de gemachtigde van klaagster het college verzocht zijn schriftelijke klacht bij H te mogen overleggen. Het college heeft dat niet toegestaan.

 

2.         De feiten

2.1. Klaagster is de echtgenote van patiënt. Van 2011 tot begin 2015 is patiënt, geboren 1953 diverse malen opgenomen in instellingen vanwege agressiviteit en cognitieve stoornissen door Korsakov.

 

2.2. Van 9 januari 2015 tot 6 februari 2015 heeft patiënt verbleven in het J. Op 14 januari 2015 heeft prof. dr. K (neurologie) aldaar ten aanzien van patiënt de volgende diagnose gesteld:

 

vasculaire dementie

korsakov met ernstige witte stof afwijkingen

loopstoornissen obv polyneuropathie

epilepsie

 

2.3. Op 6 februari 2015 is patiënt opgenomen op de afdeling psychiatrie van het L met een inbewaringstelling.

 

2.4. M heeft in februari 2015 een indicatie ZZP7 en BOPZ afgegeven op basis van de onder 2.2. vermelde diagnose en de aandoening COPD.

 

2.5. Op 25 februari 2015 is patiënt opgenomen op een gesloten afdeling in zorgcentrum N.

 

2.6. Op 23 april 2015 is patiënt opnieuw opgenomen in het L met een complex partiële status epilepticus. Op 29 april 2015 werd patiënt ontslagen met een dosering Depakine van 1000, 750 en 750 mg. Hij is toen teruggekeerd naar N.

 

2.7. Op 14 juni 2015 is patiënt wederom naar het L gebracht onder meer met een recidief complex partiële status epilepticus nadat klaagster via 112 een ambulance had laten komen. Op 25 juni 2015 is patiënt ontslagen met dezelfde hoeveelheid Depakine en het advies daarnaast te starten met Carbamazepine 200-200 mg. Hij is vervolgens teruggekeerd naar N.

 

2.8. Op 11 augustus 2016 is patiënt overgeplaatst naar de locatie O nadat de relatie met de verzorging in N verstoord was geraakt.

 

2.9. Verweerster is als specialist ouderengeneeskunde werkzaam in O. Vanaf 11

augustus 2016 was zij de behandelend arts van patiënt.

 

2.10. Er vonden wekelijks gesprekken plaats tussen de eerst verantwoordelijke verzorgende (EVV) en klaagster over de verpleging en verzorging van patiënt. In januari 2018 verslechterde de relatie tussen klaagster en de verzorgenden. Daarover hebben in de periode van

januari 2018 tot mei 2018 diverse gesprekken met klaagster plaatsgevonden.

 

2.11. Op 24 mei 2018 is patiënt overgeplaatst naar de gesloten afdeling P van P.

 

2.12. Inmiddels verblijft patiënt in een zorgcentrum in Q.

 

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster

 

1.         onzorgvuldig en onprofessioneel heeft gehandeld door

a. na te laten regelmatig het medicijngebruik van patiënt te evalueren en de dosis aan te passen aan zijn (afgenomen) gewicht; ook na aandringen van klaagster heeft verweerster het medicijngebruik ongewijzigd gecontinueerd;

b. na te laten de verzorgenden te instrueren welke medicijnen wel en niet konden worden gegeven;

c. niet goed te reageren op de gewichtsafname bij patiënt, in het bijzonder door daarnaar geen onderzoek te doen of er iets aan te doen; de verzorgenden niet te instrueren om ervoor te zorgen dat patiënt voldoende voeding kreeg.

 

2.         grove onzorgvuldigheid heeft betracht in de communicatie ten aanzien van de verzorging van patiënt, waardoor deze een slechtere verzorging kreeg dan gebruikelijk. Met name wordt haar verweten dat

a. zij heeft nagelaten een gedetailleerd zorgplan op te stellen dat inzichtelijk was voor een plaatsvervanger en klaagster en op basis waarvan de verzorgenden werden geïnstrueerd, met als gevolg dat zij zelfstandig besluiten namen en niet werden geïnstrueerd over het medicijngebruik, de voeding en de verzorging van patiënt;

b. er geen duidelijk reanimatiebeleid was;

c. de verwijzing naar de neuroloog onjuiste gegevens bevatte.  

 

4.           Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.         De beoordeling

 

Ontvankelijkheid

5.1.      Het college stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat klaagster, die de echtgenote is van patiënt, moet worden aangemerkt als de vertegenwoordiger van patiënt als bedoeld in artikel 7:465 lid 3 BW. Zij is daarmee tevens klachtgerechtigd als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65 van de wet BIG.

 

Inhoudelijke beoordeling

5.2.     Ter toetsing ligt voor of verweerster bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klaagster klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard. Bij het antwoord op de vraag of verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld staat het persoonlijk handelen van verweerster centraal. Het college begrijpt de hierna te bespreken klachtonderdelen zo dat deze louter zien op het handelen van verweerster. Indien en voor zover klaagster met haar klacht(onderdelen) tevens het oog heeft gehad op verwijtbaar handelen van anderen bij de behandeling van betrokkenen, dan wel het reilen en zeilen in de instelling kan zij niet ontvangen worden in haar klacht.

 

 

5.3.      Met klachtonderdeel 1 a wordt verweerster kort gezegd verweten dat zij het medicijngebruik van patiënt niet regelmatig evalueerde en aanpaste aan de gezondheidstoestand en gewichtsafname van patiënt. Volgens klaagster hebben de medicijnen een slechte invloed op lever en nieren en veroorzaakten deze sufheid bij patiënt. Verweerster weerspreekt dit.

 

5.4.      Het college is van oordeel dat verweerster op goede gronden heeft besloten om de anti-epileptica – zoals voorgeschreven door de neuroloog – te continueren. De medicijnen werden gegeven ter voorkoming van epileptische insulten. Omdat in N tweemaal sprake was geweest – ondanks de hoge dosering – van een non-convulsieve status epilepticus heeft zij besloten de dosering te handhaven. In N is op advies van de neuroloog van het L ook de Carbamazepine toegevoegd. Verweerster heeft regelmatig laboratoriumonderzoek laten uitvoeren onder meer om de Depakine- en Carbamazepinespiegel en leverfuncties te bepalen. Dit gaf geen aanleiding tot aanpassing.

Verweerster had geen aanleiding te veronderstellen dat het medicijngebruik patiënt te zeer versufte. Uit de rapportage van de verzorging blijkt dit niet. Hierin wordt slechts eenmaal over sufheid gerapporteerd. Daarnaast is zeven keer melding gemaakt van vermoeidheid en een langere middagrust. Dat kon echter worden verklaard doordat patiënt´s nachts slecht sliep en vaak wakker was.

Het is juist dat patiënt tijdens zijn verblijf op O is afgevallen. Bij opname woog hij 53,8 kg bij een lengte van 1,65 meter. Het laagste gewicht in de periode oktober 2017 tot januari 2018 was 47,2 kg. Op 23 mei 2018 woog patiënt weer 52,2 kg. De afname van het gewicht was geen reden om het medicijngebruik aan te passen.

Patiënt heeft in verschillende perioden in verband met rug- en knieklachten (incidenteel) paracetamol gekregen. Hiervoor waren geen contra-indicaties.

Het is het college ook niet gebleken dat de medicijnen op andere wijze een negatieve invloed hadden op de gezondheidstoestand van patiënt.

Klaagster verwijt verweerster verder dat zij afwijzend reageerde op het verzoek om de anti-epileptica te verminderen of te stoppen. Verweerster heeft klaagster voorgesteld om een consult bij de neuroloog aan te vragen bij twijfel aan haar advies om het medicijngebruik zoals voorgeschreven door de neuroloog te continueren. Verweerster heeft hiermee niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.  Klachtonderdeel 1a is ongegrond.

 

5.5.      Met klachtonderdeel 1b verwijt klaagster verweerster dat zij de verzorgenden niet heeft geïnstrueerd welke medicijnen of andere zaken wel en welke niet konden worden gegeven.

Zoals hiervoor aan de orde is geweest kan het college niet  vaststellen dat patiënt verkeerde medicijnen of een onjuiste dosering kreeg. Hierop stuit dit onderdeel af. Verweerster hoefde de verzorging derhalve niet te instrueren af te wijken van de deellijst. Klachtonderdeel 1b is ongegrond.

 

5.6.      Met klachtonderdeel 1c stelt klaagster, kort samengevat, aan de orde dat verweerster niet goed heeft gereageerd op de gewichtsafname. Zij heeft het gewicht van patiënt onvoldoende in de gaten gehouden en geëvalueerd om zo nodig het beleid aan te passen en ervoor te zorgen dat patiënt voldoende voeding kreeg.

Het college stelt voorop dat patiënt een ernstige ziekte heeft en dat hij tevens problemen had met slikken, een combinatie die vaak gepaard gaat met gewichtsverlies. Op het moment dat patiënt werd opgenomen in O was zijn gewicht al een punt van aandacht. Daarvoor was bij de behandeling zowel een logopedist als een diëtist betrokken, die adviezen gaven. Die adviezen waren voor de verzorgenden in het dossier te raadplegen. Voor de zogenoemde gastvrouwen, die het eten prepareren, was een uitgeprinte versie van die adviezen in de keuken voorhanden. Zo wist iedereen wat patiënt wel en niet mocht hebben. Uit de overgelegde rapportage van de verzorgenden volgt naar het oordeel van het college dat de instructies van de diëtist en logopedist zijn opgevolgd.

Verder blijkt uit de weegrapporten dat patiënt regelmatig werd gewogen en dat op die wijze het verloop van het gewicht goed in de gaten werd gehouden. Dat gebeurde aanvankelijk eens per maand en later wekelijks. Het wegen gebeurde met kleding aan, omdat het aan- en uitkleden belastend was voor patiënt. Ook is het een keer voorgekomen dat patiënt in zijn rolstoel bleef zitten. Het gewicht werd daarna gecorrigeerd. Mogelijk levert een weging zonder kleding een nauwkeuriger resultaat op, maar door patiënt op de beschreven wijze te wegen teneinde hem niet met het uit- en aankleden te hoeven belasten, is niet onzorgvuldig gehandeld.

Het college is aldus van oordeel van verweerster voldoende aandacht heeft gehad voor het lichaamsgewicht van patiënt. Bij de behandeling en in het multidisciplinair overleg (waar het gewicht onderwerp van gesprek was) waren een logopedist en diëtist betrokken. De verzorgenden zijn op de juiste wijze geïnstrueerde en de instructies zijn opgevolgd. Verweerster hoefde geen andere maatregelen te nemen. Klachtonderdeel 1c is ongegrond.

 

 

5.7.      Klachtonderdeel 2 ziet op de communicatie ten aanzien van de verzorging van

patiënt.

Klachtonderdeel 2a houdt in dat verweerster heeft nagelaten een gedetailleerd zorgplan op te stellen dat inzichtelijk is voor een plaatsvervanger en klaagster en als basis dient voor de instructies aan verzorgenden. Verweerster heeft dat bestreden.

Naar het oordeel van het college volgt uit het medisch dossier dat wel degelijk een zorgplan aanwezig was, dat regelmatig MDO’s werden gehouden, dat de verzorgende de juiste instructies hadden ten aanzien van de verzorging van patiënt, dat deze instructies ook werden uitgevoerd en dat er veel gesprekken zijn geweest tussen klaagster en de verzorgenden over de verzorging van patiënt. Het college kan niet vaststellen dat patiënt een slechtere verzorging dan aangewezen heeft gekregen waarop verweerster had moeten ingrijpen. Het onderdeel is in zoverre ongegrond.

Het college is echter van oordeel van verweerster onvoldoende oog heeft gehad voor de vertaling van het zorgplan naar klaagster en de communicatie met klaagster over de verzorging van patiënt. Vanaf januari 2018 heeft klaagster bij de verzorgenden regelmatig haar ongenoegen geuit over de verzorging van patiënt. Het college heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster naar aanleiding hiervan enig initiatief heeft genomen om hierover met klaagster in gesprek te gaan. Hiervoor bestond wel aanleiding. Klaagster was immers nog wel aanwezig geweest bij het MDO van 15 januari 2018 maar was niet meer bereid het zorgplan te ondertekenen. Het zorgplan van 19 maart 2018 is evenmin ondertekend. Verweerster heeft van het team begrepen dat klaagster de zorgplannen niet wenste te ondertekenen. Ook was haar bekend dat klaagster bij de verzorgenden regelmatig haar ongenoegen uitte en dat door de verzorgenden de communicatie met klaagster als onplezierig werd ervaren. Ter zitting heeft verweerster aangegeven regelmatig met klaagster te hebben gesproken, maar in het dossier is hiervan niets terug te lezen. Verweerster heeft ter zitting ook niet concreet kunnen toelichten wanneer zij klaagster heeft gesproken en welke onderwerpen tijdens deze gesprekken aan de orde zijn gekomen. Verweerster liet de communicatie over aan de verzorgenden en het initiatief tot een gesprek bij klaagster. Als behandelend arts van patiënt lag het echter op de weg van verweerster om naar aanleiding van deze signalen en de eerdere ervaringen binnen locatie N klaagster uit te nodigen voor een gesprek om over haar ongenoegen te bespreken en te proberen de verhoudingen te normaliseren. Door dit na te laten heeft verweerster gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. In zoverre is klachtonderdeel 2a gegrond.  

 

5.8.      Klachtonderdeel 2b houdt in dat er geen duidelijk reanimatiebeleid was. Het college stelt vast dat in het medisch dossier het reanimatiebeleid is genoteerd en dat het klaagster het reanimatiebeleid regelmatig wilde wijzigen. Het college heeft hierin geen onduidelijkheden kunnen constateren. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

 

5.9.      Met klachtonderdeel 2c verwijt klaagster verweerster dat de verwijzing naar de neuroloog onjuiste en onvolledige gegevens bevat en zij de neuroloog hiermee heeft willen beïnvloeden. Op basis van de documentatie in het medisch dossier en de briefwisseling met de betrokken neuroloog, kan het college niet vaststellen dat de verwijsbrief onjuiste of onvolledige gegevens bevat. Evenmin is in het medisch dossier een aanwijzing te vinden voor de klacht dat verweerster de neuroloog heeft willen beïnvloeden. Klachtonderdeel 2c is ongegrond.

 

Conclusie

De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg  jegens klaagster had behoren te betrachten.

 

De oplegging van na te melden maatregel is daarvoor passend. Het college neemt daarbij in aanmerking dat de communicatie met klaagster eerder ook op andere afdelingen tot problemen leidde en verweerster niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.

 

Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

 

6. De beslissing

 

Het college:

-                verklaart klachtonderdeel 2a (deels) gegrond);

-                legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-                wijst de klacht voor het overige af.

 

Bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG

in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan het tijdschrift Medisch Contact ter bekendmaking zal worden aangeboden.

 

Aldus beslist door:

 

mr. J.F. Aalders voorzitter,

P.G.M. Boom-Poels en A.J.J.M. Keijzer-van Laarhoven en A. Wewerinke, leden-arts,

mr. S. Colsen, lid-jurist,

bijgestaan door mr. G.H. Felix, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

print dit artikel
  • Sophie Broersen

    Journalist en arts niet-praktiserend Sophie Broersen schrijft over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieert zij tuchtzaken.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • b kooistra, specialist ouderengeneeskunde, almere Nederland 14-05-2019 09:32

    "collega van Dalen, het is geen gesteggel, maar juist duidelijkheid scheppen. Wij maken vanaf het begin duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is. Bij onvrede over de verzorging is het juist goed dat de arts daar helemaal buiten blijft. De arts/ patiënt/vertegenwoordiger-relatie is al ingewikkeld genoeg, en de arts kan nu eenmaal niet zorgen dat de patiënt vaker naar het toilet gebracht wordt etc etc. Als je je daarmee gaat bemoeien blijkt dat je als arts die verwachtingen ook niet waar kunt maken en is men vervolgens ook ontevreden over de arts met alle gevolgen van dien, en is ook het team ontevreden over de arts (want niet solidair etc) Niet doen dus blijft het advies. "

  • Frank Blok, Internist, Assen 13-05-2019 21:47

    "Volgens mij is de behandelend arts niets te verwijten. Bij sommige ( vertegenwoordigers) van patiënten, doe je het nooit goed. Door de regels lees je dat klaagster al regelmatig problemen met verzorgende op andere afdelingen gehad. Ook de soort van problemen die ze als klacht heeft aangegeven suggereert een probleem met de acceptatie van de ziekte van haar man. Daar zullen ongetwijfeld niet genoteerde gesprekken over zijn gevoerd, maar ja dat helpt je niet in een tuchtzaak.
    Soms zou je als arts ergens moeten kunnen klagen over de ( vertegenwoordiger van ) patiënt.
    "

  • Leny van Dalen, Psychiater en systeemtherapeut , Amsterdam 13-05-2019 21:29

    "Gesteggel over behandel of zorgplan en wie daarvoor verantwoordelijk zou zijn gaat niet leiden tot een betere communicatie met familieleden of met wie dan ook. Ook dat dat voorbij aan het feit dat deze echtgenote zich niet gehoord nog gezien heeft gevoeld in haar vragen over haar echtgenoot die achteruitging. En ja, dat kan soms moeilijk zijn om familieleden daarin te horen, maar dan zou je in ieder geval als behandelend arts kunnen zeggen dat het je spijt dat dat je niet lukt of gelukt is....... Om nu de bal naar de verzorgenden en de teamleider en instelling te gooien lijkt me niet zo’ n goed idee en meer van t zelfde.... maar wel weer fideel dat collega specialisten ouderen geneeskunde het opnemen voor hun collega. "

  • Van de Poel, Psychiater, GRONINGEN 13-05-2019 19:54

    "Wat een raar uitspraak? De arts is toch niet verantwoordelijk voor het zorgplan? Als ik de casus goed lees heeft de arts juist zorgvuldig gehandeld.
    "

  • b kooistra, specialist ouderengeneeskunde, almere Nederland 11-05-2019 11:48

    "Een specialist ouderengeneeskunde is een behandelaar, die maakt een behandelplan en is daar verantwoordelijk voor. Niet voor een zorgplan. De medische overwegingen en het behandelplan moeten wel geborgd/ geïntegreerd zijn met het zorgplan en de instructies, maar dat is een communicatie-kwestie tussen arts een verzorgenden. Volgens het tuchtrecht had het hieraan in het geheel niet ontbroken.

    De teamleider van de verzorgenden is verantwoordelijk voor hetgeen de arts hier verweten wordt.

    Een toch wel erg bijzondere uitspraak, nog wel ondersteund door leden-beroepsgenoten.

    Overigens een hardnekkig misverstand dat nog steeds in advertenties voor SO terug te lezen is, die veronderstelde verantwoordelijkheid voor het zorgplan. De emancipatie van de verpleeghuisarts, buiten het instituut intussen steeds meer herkend en erkend als specialist ouderengeneeskunde, is binnen de muren van het verpleeghuis nog altijd niet voltooid, en blijkbaar ook niet in de tuchtrechtspraak.

    "

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.