Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Sophie Broersen Josine Janson
11 december 2018 22 minuten leestijd
Uitspraak tuchtcollege

Arts definitief uitgeschreven na privéwangedrag

Plaats een reactie
getty images
getty images

Het was bizar genoeg niet de eerste keer dat in de woning van de arts uit deze tuchtzaak iemand overleed na zogenaamde chemseks: seks onder invloed van drugs. In 2014 overleed iemand na gezamenlijk gebruik van GHB.

In 2015 stierf een andere partner nadat de arts intraveneus een hoge dosering methamfetamine aan hem had toegediend. De strafzaak tegen de arts loopt nog.

De tuchtzaak is echter al behandeld, door Regionaal en Centraal Tuchtcollege. Die zijn het met elkaar eens: deze arts – die zich nadat de inspectie de klacht indiende al liet doorhalen – mag zich niet meer inschrijven in het BIG-register. Is dat niet dubbelop, een strafzaak en een tuchtzaak? Nee: het zijn gescheiden rechtssystemen die naast elkaar kunnen bestaan en een ander doel hebben. Het tuchtcollege is er onder meer om de kwaliteit van de zorg te bewaken. In theorie zou de arts zich later weer opnieuw kunnen inschrijven, of in het buitenland aan de slag gaan, vandaar dat de tuchtzaak relevant is. De inspectie en de tuchtrechter vinden het handelen van de man – die zich als arts presenteerde en intraveneus de drugs toediende aan het slachtoffer – zodanig indruisen tegen hoe hulpverleners zich moeten gedragen, dat ze niet vinden dat hij ooit nog als dokter mag werken. Ook al vond de situatie plaats in de privésfeer.

Inmiddels hebben tuchtcolleges al enkele keren geoordeeld dat zeer ernstig (strafbaar) wangedrag onder de reikwijdte van de tweede tuchtnorm valt, omdat het van invloed kan zijn op het vertrouwen dat men heeft in de gezondheidszorg. Deze zin uit de uitspraak illustreert dat: ‘De verantwoordelijkheden die horen bij de hoedanigheid van arts kunnen niet tijdelijk worden afgelegd en reiken in uitzonderlijke gevallen tot binnen de privésfeer.’

Sophie Broersen, arts niet-praktiserend/journalist

mr. Josine Janson, adviseur gezondheidsrecht

lees dit artikel met de ingekorte uitspraak (pdf)

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2017.536 van:

A., arts, wonende te B., appellant, verweerder in eerste instantie,

gemachtigde:  mr. I.M.B. Kramer, advocaat te Amsterdam,

tegen

INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,

gevestigd te Utrecht, in de persoon van Gerardus Martinus Antonius van Zeeland (senior inspecteur) en mr. Mirna Elisabeth Oosting (senior adviseur juridisch zaken),  klaagster in eerste aanleg, verweerster in beroep.

1.              Verloop van de procedure

De Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd - hierna de Inspectie - vertegenwoordigd door de heer G.M.A. van Zeeland en mevrouw mr. M.E. Oosting in hun hoedanigheid van respectievelijk senior inspecteur en senior adviseur juridisch zaken, heeft op 6 juli 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen de arts, voormalig psychiater,

A. -  hierna de arts - een klacht ingediend. De arts heeft zich vervolgens op 20 juli 2017 vrijwillig uitgeschreven uit het BIG- register. Bij beslissing van 27 oktober 2017, onder nummer 17/252 heeft dat College - zakelijk weergegeven - de klacht gegrond verklaard, de arts het recht ontzegd om wederom in het BIG register te worden ingeschreven, bepaald dat deze ontzegging onmiddellijk van kracht wordt en de publicatie gelast.

De arts is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De Inspectie heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 20 september 2018, waar zijn verschenen de arts bijgestaan door zijn gemachtigde mr. I.M.B. Kramer alsmede de heer G.M.A. van Zeeland en

mr. M.E. Oosting van de zijde van de Inspectie.

De zaak is over en weer bepleit. Beide partijen hebben dat onder meer gedaan aan de hand van pleitnota’s die zij aan het Centraal Tuchtcollege hebben overgelegd.

2.              Beslissing in eerste aanleg

2.1       De in eerste aanleg vastgestelde feiten.

“2. De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1       Verweerder is als arts ingeschreven in het BIG-register sedert 1997. De inschrijving, die per 1 januari 2018 voor herregistratie staat, is op verzoek van verweerder op 20 juli 2017 doorgehaald. Verweerder heeft van 1999 tot en met 2008, met een onderbreking van twee weken, als psychiater ingeschreven gestaan in dit register.

2.2       Verweerder heeft sinds 2009 geen arbeidsbetrekking in de gezondheidszorg. Hij stelt niet in staat te zijn te werken wegens chronische depressie en slaapapneu, gewrichtskrachten en andere lichamelijke klachten. Verweerder ontvangt op dit moment een uitkering op grond van volledige arbeidsongeschiktheid.

2.3       Bij vonnis van 30 december 2016 is verweerder door de rechtbank B. veroordeeld wegens het op 15 december 2015 te B. aanmerkelijk onvoorzichtig meth-amfetamine aan K.M.J. aan te bieden en in het lichaam van die J. in te spuiten, waardoor het aan verweerders schuld te wijten is geweest dat  J. zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden. Voorts is verweerder veroordeeld voor het op die zelfde dag opzettelijk aanwezig hebben van 8,19 gram methamfetamine en 48 tabletten MDMA en 5 tabletten van een materiaal bevattende 2C-B.  De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstaf van 6 maanden. Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De zaak wacht op behandeling.  

2.4       Uit het vonnis van de rechtbank wordt het volgende overgenomen:

" (…)Verdachte heeft verklaard -  en dit staat ook niet ter discussie - dat hij gedurende de hele nacht in zijn sekskamer, waarbij verdachte als `top` fungeerde en J(.). als `bottom`, met J. aan chemseks heeft gedaan, dat wil zeggen seks onder invloed van drugs. J (..) en hij hebben methamfetamine gebruikt door middel van slammen, dat wil zeggen het injecteren van harddrugs. Verdachte had de methamfetamine in huis en heeft deze drug aan J(.). verstrekt, waarbij hij twee van de drie injecties bij hem heeft toegediend.  

“Over de doodsoorzaak is gerapporteerd door NFI-deskundigen (..), apotheker en toxicoloog en (..), arts en patholoog.(..)  Beiden hebben als meest waarschijnlijke doodsoorzaak intoxicatie als gevolg van het gebruik van methamfetamine vastgesteld. (..) heeft gesteld dat 2,5 mg/i in femoraal bloed van J. een erg hoge concentratie is. (…). De deskundigen kunnen op basis van de gemeten concentratie in het bloed niet vaststellen welke hoeveelheid methamfetamine hij heeft gebruikt, omdat een gebruikte dosis niet één op één te vertalen is naar een gemeten concentratie in het bloed.”  

“Volgens de deskundigen is het van meerdere factoren afhankelijk of iemand overlijdt als gevolg van een hoge dosis methamfetamine. Dit kan verklaren waarom J(..) wel maar verdachte niet is overleden na het  gebruik van een gelijke hoeveelheid methamfetamine.”

“verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ervaringsdeskundige is op het gebied van het gebruik van methamfetamine, dat hij sinds 2014 regelmatig gebruikt. Hij zegt alle bestaande informatie over methamfetamine op het internet te hebben opgezocht en gelezen. Verdachte weet van welke factoren het uiteindelijke effect van methamfetamine afhankelijk is.”

“Verdachte heeft de te gebruiken methamfetamine niet laten testen, zodat hij de samenstelling niet kende van de door hem verstrekte methamfetamine.”

“De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier af dat verdachte en J(..) elkaar pas twee weken kenden en dat het contact bestond uit het verzenden van WhatsApp-berichten en chats, en het hebben van telefonisch contact. Verdachte heeft verklaard dat zij elkaar op 15 december 2015 op Schiphol voor het eerst hebben ontmoet en onderweg van Schiphol naar het huis van verdachte in B. met elkaar hebben gesproken. Zij hebben daarna nog 45 minuten met elkaar gesproken aan de keukentafel in de woning van verdachte. Hij heeft J(..) naar zijn methamfetamine-gebruik gevraagd. J(..) zou hebben gezegd dat hij tien keer eerder methamfetamine had gebruikt en dat hij  tijdens een verblijf in C. in vijf dagen tijd telkens een hoeveelheid van 1 gram methamfetamine per dag had gebruikt.”     

“In totaal heeft J. driemaal een dosis van 200 mg methamfetamine geslamd.(..) Vast staat dat de beslissing, om de derde injectie met nog eens 200 mg te nemen, is genomen terwijl het seksspel al was aangevangen en beide deelnemers al onder invloed waren van verschillende verdovende middelen. (..) De rechtbank leidt uit het dossier af dat er overeenstemming bestond over de hoeveelheid en de wijze van de te gebruiken methamfetamine.”

“Het standpunt van de verdediging. (…) Op de door verdachte gemaakte camerabeelden is te zien dat uitvoerige pauzes worden genomen en dat nadat J(..)schokkerige bewegingen ging maken, verdachte er alles aan heeft gedaan om hem gerust te stellen. Verdachte heeft een aantal keer aan J(…) gevraagd of hij wilde stoppen, maar hij wilde doorgaan.”

2.5       Naar aanleiding van het overlijden van J. is de Inspectie een onderzoek naar verweerder gestart. Nadat verweerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze te geven, is het onderzoek afgesloten met een rapport van 21 juni 2017. In september 2017 is een aanvullend rapport verschenen.

2.2       De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden het volgende in.

“3. De klacht en het standpunt van de Inspectie

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:

1. de tweede tuchtnorm, zoals neergelegd in artikel 47 lid 1 sub b Wet BIG, heeft geschonden door:

a.         zeer risicovol te handelen met het verstrekken en intraveneus toedienen van een hoge dosering methamfetamine aan een hem onbekende chemsekspartner, verder te noemen: J, op 15 december 2015. Hierbij is van belang dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de tolerantie voor methamfetamine van J. en de gebruikte methamfetamine niet op zuiverheid heeft laten onderzoeken. Verweerder heeft de chemseks voorbereid. Hij heeft zich als arts aan J. gepresenteerd. Toen J. begon te schokken maar desondanks verder wilde met de seks, heeft verweerder niet zelf besloten om te stoppen. Ook in 2014 is een beoogd chemsekspartner van verweerder in de woning van verweerder overleden na gezamenlijk gebruik van GHB. Verweerder heeft hierna vaker chemseks gehad. Hij heeft verklaard in het weekend voorafgaand aan 15 december 2015 dezelfde hoeveelheid methamfetamine die hij J. heeft verstrekt, ook aan een andere chemsekspartner te hebben toegediend;

b.         in strijd met de geneesmiddelenwet (buitenlandse) geneesmiddelen in voorraad in huis te hebben. Voorts in strijd te hebben gehandeld met de Opiumwet met de aanwezigheid van onder meer methamfetamine. Voorts heeft hij zich langdurig medicijnen laten voorschrijven zonder deze (volledig) te willen gebruiken, hetgeen in strijd met de artikel I1 van de gedragsregels  voor artsen van de KNMG;

c.         het uitschrijven, ondertekenen en afhalen van negen recepten, inclusief zestien herhalingsrecepten op naam (en papier) van een ander ten behoeve van zichzelf. 

De gedragingen van verweerder raken het beroep van arts in de kern. Als arts heeft verweerder zich zowel beroepsmatig als ook daarbuiten te houden aan de waarden en normen van de beroepsgroep. Met zijn handelen heeft hij voorts schade berokkend aan het geheel van waarden, gedragingen en verhoudingen met de samenleving dat het vertrouwen van mensen in artsen ondersteunt en rechtvaardigt.             

De Inspectie verzoekt het college aan verweerder een ontzegging van het recht tot wederinschrijving in het BIG-register op te leggen.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder stelt zich, kort samengevat, primair op het standpunt dat de behandeling van zijn tuchtzaak voorafgaand aan de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (verder: EVRM). Verklaringen van verweerder in de tuchtzaak kunnen en zullen worden gebruikt bij de behandeling van zijn strafzaak. Het betreft hetzelfde feitencomplex. Hij zal om zijn belang bij zijn strafrechtelijke positie te bewaken dan ook geen verdere uitspraken doen over contacten met zijn sekspartner. Dat hij zich jegens die partner als arts zou hebben gepresenteerd, wordt nadrukkelijk door verweerder betwist. Het doorzetten van de behandeling in de tuchtprocedure schaadt verweerder in diens belangen, temeer nu de Inspectie geen belang heeft gesteld. Verweerder heeft zich immers zelf al uitgeschreven uit het BIG-register. Het opleggen van een maatregel zou bovendien neerkomen op dubbele bestraffing.

Verweerder stelt zich voorts gemotiveerd op het standpunt dat het hier privéhandelingen betreft die niet vallen onder de reikwijdte van de tweede tuchtnorm.

Ten aanzien van de aanvullende klacht ontkent verweerder dat hij de handtekening van de behandelend psychiater heeft vervalst op twee van de recepten en overigens is dit deel van de klacht niet onderbouwd. Ook hier kan nog strafvervolging volgen. “

2.3       Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

“5. De overwegingen van het college

5.1       Het college ziet zich gesteld voor twee vragen die de goede procesorde raken en die aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil vooraf gaan. Als eerste de vraag of de Inspectie belang heeft bij het opleggen van een maatregel nu verweerder zichzelf al heeft laten uitschrijven uit het BIG-register. Als algemeen beginsel van de goede procesorde geldt: zonder (proces)belang geen vordering, of in dit geval: geen ontvankelijke klacht. Hierbij geldt dat ingevolge artikel 65, eerste lid, onder d, van de Wet BIG, het belang van de Inspectie wordt beperkt tot de aan de inspecteur toevertrouwde belangen, te weten het bewaken van de kwaliteit van de zorg.

In dit kader heeft de Inspectie gesteld dat verweerder zich als arts kan herinschrijven in het BIG-register op het moment dat hij weer aan de opleidingseisen voldoet. Bovendien kan verweerder thans ongehinderd in het buitenland als arts aan de slag, terwijl (naar het college begrijpt) het in Europees verband op grond van de Europeesrechtelijke Richtlijn 2013/55 voor landen verplicht is om informatie over bevoegdheidsbeperkingen van geregistreerde zorgverleners met elkaar te delen en er aldus ook in andere landen beperkingen aan het functioneren van verweerder als arts kunnen worden opgelegd.

De kwaliteit van de gezondheidszorg vereist dat verweerder niet langer als arts kan optreden, aldus de Inspectie.

Het college acht hiermee een voldoende reëel en actueel belang aanwezig van de Inspectie bij de uitkomst van haar klacht. De omstandigheid dat verweerder thans volledig arbeidsongeschikt is, maakt dit oordeel niet anders nu dit gegeven op zichzelf een herinschrijving in het BIG-register in de toekomst, dan wel het uitoefenen van het beroep als arts in het buitenland niet volledig uitsluit. Verweerder heeft zichzelf ook in deze zin tegenover de Inspectie uitgelaten.  

5.2       In het kader van de goede procesorde dient voorts de door verweerder opgeworpen vraag te worden beantwoord of de omstandigheid dat het hoger beroep in verweerders strafzaak dat ziet op hetzelfde feitencomplex en nog moet worden behandeld, hem in deze procedure in een onaanvaardbare positie brengt.

Het college overweegt dat een tuchtrechtelijke procedure in het kader van de Wet BIG ziet op het waarborgen van de kwaliteit van gezondheidszorg en derhalve niet is aan te merken als een criminal charge als bedoeld in artikel 6 EVRM. Op dit artikel van het EVRM kan dan ook in deze procedure geen beroep worden gedaan. Van een mogelijke dubbele bestraffing, zoals door verweerder gesteld, is op grond van het voorgaande evenmin sprake. 

Het college stelt vast, mede bezien in het licht van artikel 65, achtste lid, van de Wet BIG waarin de verhouding tussen de Inspectie en het openbaar ministerie is neergelegd, dat niet is uitgesloten dat de verklaringen die verweerder aflegt in deze zaak, gebruikt zullen worden in de strafzaak. Om zijn zwijgrecht in de strafzaak ook feitelijk te kunnen effectueren, heeft verweerder besloten niet te verschijnen ter zitting en aldus niet nader te verklaren. Verweerder is ook niet gehouden te verklaren. Hij moet op grond van de goede procesorde wel in de gelegenheid zijn zich te weren tegen de klacht, zonder zijn zwijgrecht in de strafrechtelijke procedure feitelijk op te geven. Het college is echter van oordeel dat de behandeling van de tuchtprocedure van klager voorafgaand aan de behandeling van zijn hoger beroep in zijn strafzaak niet reeds om deze reden in strijd is met de goede procesorde. De beoordeling hiervan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang is de ernst van de verweten gedragingen, de mate waarin het feitencomplex in beide procedures gelijk is en welk deel van de feiten (gemotiveerd) wordt betwist. Eveneens is van belang welke voorlopige maatregelen ter borging van het algemeen belang kunnen worden opgelegd in afwachting van het onherroepelijke strafvonnis.

In dit geval heeft verweerder uitgebreid verklaard bij de Inspectie en deze verklaringen die zijn neergelegd in de in deze zaak opgestelde inspectierapporten en een proces-verbaal worden ook niet betwist, met uitzondering van het zich voordoen als arts. Ook desgevraagd ter zitting is een en ander niet verder door de gemachtigde van klager geconcretiseerd. In deze omstandigheden ziet het college geen strijd met de goede procesorde, met dien verstande dat het college bij de beoordeling de overweging in het strafvonnis in eerste aanleg dat verweerder zich als arts heeft gepresenteerd buiten beschouwing laat nu dat uitdrukkelijk door verweerder is betwist.

5.3       Verweerder stelt zich voorts gemotiveerd op het standpunt dat de door de Inspectie verweten gedragingen zover afstaan van daadwerkelijke beroepsuitoefening dat dit in de weg staat aan de ontvankelijkheid. Het betreffen privéhandelingen die niet vallen onder de reikwijdte van het tuchtrecht, meer in het bijzonder niet onder de werking van de in artikel 47, eerste lid, onder b van de Wet BIG neergelegde tweede tuchtnorm. Zo is verweerder al jarenlang arbeidsongeschikt.

5.4       Het college volgt verweerder ook niet in dit verweer. De tweede tuchtnorm ziet op gedragingen die in strijd zijn met het algemeen belang gelegen in een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. De wetgever heeft hier bedoeld ook handelen dat niet direct valt binnen de arts-patiëntrelatie onder omstandigheden onder het tuchtrecht te laten vallen. Het Centraal Tuchtcollege heeft in haar uitspraak van 12 februari 2015 (ECLI:NL:TGZCTG:2105:56) uitgemaakt dat zeer ernstig verwijtbaar handelen in de privésfeer kan leiden tot schending van de tweede tuchtnorm en daarbij bepaald dat dit handelen het vertrouwen dat de samenleving in een arts moet kunnen stellen wezenlijk aantast.

Het college is van oordeel dat het aan verweerder verweten handelen voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg.  Het verweerder verweten gedrag is flagrant in strijd met de algemene zorgplicht die iedereen en een arts in het bijzonder ten aanzien van het welzijn en de gezondheid van zijn medemens in acht behoort te nemen en heeft naar het oordeel van het college het vertrouwen wezenlijk aangetast. Het (strafbaar) handelen van verweerder, ook al is dit in de privésfeer geschied, gaat op geen enkele wijze samen met de hoedanigheid van een BIG-geregistreerd hulpverlener. De verantwoordelijkheden die horen bij de hoedanigheid van arts kunnen niet tijdelijk worden afgelegd en reiken in uitzonderlijke gevallen tot binnen de privésfeer. Ook de arbeidsongeschiktheid van verweerder ontslaat hem niet van deze verantwoordelijkheid, te meer nu hij zich in deze periode op andere momenten wel als arts heeft gepresenteerd door recepten uit te schrijven voor een vriend en voor zijn moeder. Zijn gedragingen kunnen niet los worden gezien van de hoedanigheid van arts en zijn als zodanig tuchtrechtelijk toetsbaar.

Uit het voorgaande volgt dat de Inspectie wordt ontvangen in haar klacht, zodat het college deze inhoudelijk zal behandelen.

5.5       In deze procedure staat niet de causaliteit tussen het drugsgebruik en het overlijden van de sekspartner ter beoordeling maar de gedragingen van verweerder als in het BIG-register ingeschreven arts. Het college acht de gedragingen die aan verweerder worden verweten ernstig verwijtbaar.

Verweerder heeft zeer risicovol gehandeld met het tot drie keer toe verstrekken, waaronder het twee keer intraveneus toedienen, van een grote hoeveelheid methamfetamine (3x200mg) in het kader van een seksspel. Het kan verweerder als arts zwaar worden aangerekend dat hij opzettelijk de gezondheid en in dit geval zelfs het leven van een ander ernstig in gevaar brengt binnen de privésfeer. Hierbij is voorts van belang dat verweerder zich vaker in vergelijkbare situaties heeft gebracht. Een extra bezwarend element vormt de omstandigheid dat verweerder niet zelfstandig heeft besloten om het seksspel te stoppen maar het juist voort te zetten, in het bijzonder op het moment dat zijn sekspartner begint te schokken. Dat zijn sekspartner dit wilde en verweerder ook zelf onder invloed was van methamfetamine maakt dit niet anders. 

Tot slot wordt het valselijk opmaken van receptenbriefjes op zijn naam voor onder meer opiaten en deze medicijnen ook daadwerkelijk afhalen bij de apotheek, als in strijd met de tweede tuchtnorm aan verweerder toegerekend. Het betreft negen recepten, met in totaal zestien herhalingsrecepten uitgeschreven op naam van psychiater G(…) voor medicatie ten behoeve van verweerder. Uit bijgevoegde fotokopieën van de recepten blijkt dat deze zijn ondertekend, waarbij in twee handtekeningen de naam van verweerder kan worden herkend. De enkele stelling van verweerder dat de recepten door hem met toestemming van psychiater G(..) zijn ondertekend, is onvoldoende tegen de betwiste motivering van de Inspectie en ontneemt bovendien niet de verwijtbaarheid aan het handelen van verweerder. De overige door de Inspectie aangedragen gedragingen van verweerder zijn niet van dien aard dat zij een schending van de tweede tuchtnorm zelfstandig kunnen dragen. Zij vormen wel een deel van de context waarbinnen voornoemde gedragingen hebben plaatsgevonden. 

5.6       Het handelen van verweerder schiet ernstig tekort en schaadt het vertrouwen dat een patiënt in zijn zorgverlener en daarmee in de gezondheidszorg mag hebben wezenlijk. 

5.7       Al het hierboven overwogene leidt er reeds toe dat er voldoende grond bestaat voor oplegging van de maatregel van ontzegging van het recht om wederom in het BIG-register te worden ingeschreven. Hoewel verweerder thans volledig arbeidsongeschikt is, valt niet uit te sluiten dat hij in de toekomst ook weer arbeid zal kunnen verrichten. Bovendien heeft hij in zijn periode van arbeidsongeschiktheid een aantal keer medicijnen voorgeschreven. Het belang van bescherming van (het vertrouwen in) de individuele gezondheidszorg dient daarom te prevaleren, te meer nu met de op te leggen maatregel ook de landen binnen de EU worden geïnformeerd. Het belang van verweerder om op termijn eventueel weer als arts in zijn inkomen te voorzien is hieraan ondergeschikt. Dat brengt mee dat verweerder niet meer als arts in de zorg werkzaam kan zijn. Door oplegging van (het equivalent van) de zwaarste maatregel wordt bovendien de norm bevestigd dat zorgverleners, die zeer ernstige (strafbare) feiten plegen die niet los kunnen worden gezien van hun hoedanigheid, zich diskwalificeren voor het uitoefenen van hun beroep in de gezondheidszorg. De op te leggen maatregel is ook bedoeld om het publieke vertrouwen in die beroepsgroep te herstellen. 

5.8       Om redenen aan het algemeen belang ontleend, bepaalt het college dat deze beslissing zal worden gepubliceerd als na te melden.

3.              Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven  in de rechtsoverwegingen 2.1 t/m 2.3 alsmede in rechtsoverweging 2.5 in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden. Wat de feiten betreft voegt het Centraal Tuchtcollege hieraan nog toe dat de arts ter terechtzitting in beroep heeft verklaard dat er tussen hem en zijn sekspartner voordat zij elkaar ontmoetten, een uitwisseling is geweest van informatie waardoor zij over en weer bekend waren met elkaars beroep; de arts heeft zich als “dokter” bekendgemaakt. Voorts heeft hij verklaard ter terechtzitting in beroep dat zij ieder drie maal een dosis van 200 mg methamfetamine intraveneus hebben gebruikt waarbij de laatste twee maal zijn toegediend door de arts.

4.              Beoordeling van het hoger beroep

Procedure.

4.1 De arts heeft onder aanvoering van een vijftal grieven beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep strekt - zakelijk weergegeven -  tot vernietiging van die beslissing en het openstellen van de mogelijkheid tot wederinschrijving van de arts in het BIG register.

4.2 De Inspectie  heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij concludeert - zakelijk weergegeven - tot verwerping van het beroep, bekrachtiging van de beslissing (inclusief de opgelegde maatregel) en de publicatie.  

Beoordeling.

4.3 In de eerste grief stelt de arts - zakelijk weergegeven - dat de Inspectie geen belang heeft bij de behandeling van de klacht aangezien de arts zich vrijwillig heeft laten uitschrijven uit het BIG register.

4.4 Het Centraal Tuchtcollege acht – evenals het Regionaal Tuchtcollege - niet ondenkbaar dat, indien de arts aan de herregistratie-eisen voldoet en hij zich als arts zou laten herinschrijven in het BIG register, hij in Nederland of het buitenland het beroep van arts wederom uit wil oefenen. In dit verband is van belang dat de arts wisselend heeft verklaard over zijn toekomstplannen. Enerzijds verklaart hij dat het voor hem onmogelijk is om aan de herregistratie-eisen te voldoen. Anderzijds  heeft hij onder meer verklaard dat het hem zeer veel waard is om geregistreerd te blijven. In dat verband heeft hij gesteld dat hij weliswaar zich niet in staat acht om zijn beroep volledig uit te oefenen, maar omdat de artsentitel volgens zijn verklaring “zijn persoonlijkheid is”, wenst hij die titel te behouden ( zie vastgesteld rapport Inspectieonderzoek juni 2017 onder 2.9). De arts heeft voorts aangegeven dat hij zichzelf wel ziet werken onder de supervisie van een collega bijvoorbeeld een huisarts. Voorts heeft de (toenmalige) advocate van de arts aangegeven dat als de arts zich beter zou gaan voelen of arbeidsgeschikt verklaard zou worden hij dan weer aan de slag zal gaan (zie: Vastgesteld Gespreksverslag 2 februari 2017 onder het kopje Toekomstplannen pag. 7 en 8).

De Inspectie heeft naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege, nu de mogelijkheid niet is uitgesloten dat de arts wederom als arts in Nederland of in het buitenland, werkzaam zal kunnen zijn en mede gelet op de uitgesproken intenties van de arts, belang bij de behandeling van deze klacht. Deze grief mist daarom doel.

4.5 In de tweede grief betwist de arts - zakelijk weergegeven - dat de tuchtrechtelijke procedure niet is aan te merken als een  “criminal charge”  als bedoeld in artikel 6 EVRM.

4.6 Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover als volgt. In de rechtspraak van het Europese Hof tot Bescherming van de Rechten van de Mens zijn criteria ontwikkeld ter beoordeling van de vraag of in concrete gevallen van overheidsingrijpen sprake is van een “criminal charge”. Toetsing aan deze criteria brengt naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege mee dat de in de Wet BIG opgenomen tuchtrechtelijke procedure niet is aan te merken als de behandeling van een “criminal charge”. De tuchtrechtelijke procedure wordt volgens het Nederlands wettelijk systeem immers niet tot het strafrecht gerekend doch tot disciplinair recht, dat ten doel heeft het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de gezondheidszorg. Het in de wet BIG geregelde tuchtrecht bevat geen normen die de hele bevolking kunnen treffen en de op grond van de wet op te leggen maatregelen kunnen niet aangemerkt worden als strafrechtelijk van karakter. De tuchtrechtelijke procedure op grond van de Wet BIG levert dan ook geen strijd op met het in artikel 6 EVRM verankerde “nemo tenetur” beginsel, inhoudende dat niemand kan worden gedwongen aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Van een dubbele bestraffing , zoals door de arts gesteld, is op grond van het voorgaande evenmin sprake.

Aangezien het Openbaar Ministerie hoger beroep heeft ingesteld tegen het strafvonnis en deze zaak nog op verdere behandeling door het gerechtshof wacht, heeft de arts met verwijzing naar artikel 6 EVRM een verzoek om uitstel van de tuchtrechtelijke behandeling gedaan in afwachting van de beslissing in de strafprocedure.  De arts is, om te voorkomen dat de door hem gegeven informatie in de tegen hem aanhangige strafzaak tegen hem zal worden gebruikt, zeer terughoudend in zijn verklaringen. Dit staat de arts vanzelfsprekend vrij.

Het Centraal Tuchtcollege wijst het verzoek van de arts om uitstel van de behandeling in de tuchtrechtprocedure evenwel af. In de strafprocedure gaat het om een ander soort verwijt dan in de tuchtprocedure. Aangevoerd is dat in de strafprocedure in het bijzonder de vraag aan de orde is of een causaal verband bestaat tussen het handelen van de betrokkene en het overlijden van zijn sekspartner, hetgeen zodanig wezenlijk anders is dan het beoordelen van het handelen zelf in de zin van het tuchtrecht en in het perspectief van de hierna te bespreken tweede tuchtnorm, dat uitstel van de behandeling in de tuchtrechtprocedure achterwege kan blijven. Ook de tweede grief faalt.

4.7 In de derde grief betwist de arts - zakelijk weergegeven -  dat zijn gedragingen vallen onder de werking van de tweede tuchtnorm.

4.8 De tweede tuchtnorm is in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BIG als volgt omschreven:  “Degene die in een der in het tweede lid vermelde hoedanigheden in een register ingeschreven staat, is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van (…) enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.”

Handelingen van een BIG-geregistreerde die in de privésfeer plaatsvinden, vallen in beginsel niet onder het tuchtrecht (MvT, Kamerstukken II 1985/1986, w.o. 19 522, nummer 3, pag. 74), tenzij het handelen niet los van de hoedanigheid van BIG-geregistreerde kan worden gezien. Dit uitgangspunt is blijkens de (vaste) rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege genuanceerd, in die zin dat het handelen – in de privésfeer – van de BIG-geregistreerde onder de tweede tuchtnorm kan vallen als dit handelen voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg (zie onder meer CTG 12 februari 2015, ECLI:NL:TGZCTG: 2015:56 en RTG Amsterdam

29 januari 2016, ECLI:NL:TGZRAMS:2016:14). Dat laatste is bij handelen in de privésfeer het geval, als sprake is van (i) zeer ernstig verwijtbaar handelen in flagrante strijd met de algemene zorgplicht, (ii) handelen dat de waarden van het beroep in de kern raakt en (iii) handelen dat het vertrouwen in het handelen van een arts wezenlijk aantast.

Door het intraveneus toedienen van een hoge dosis opiaten (in potentie een toxische dosering) zonder medische noodzaak, bij een relatief onbekende derde, zeker waarbij de arts zich als zodanig kenbaar heeft gemaakt, overschrijdt de arts deze tweede tuchtnorm. Het Centraal Tuchtcollege acht dit aan de arts verweten handelen zeer ernstig,  ook als dit handelen zich in de privésfeer heeft voltrokken. Dit risicovol handelen in combinatie met het voorhanden hebben en opsparen van ongeoorloofde hoeveelheden medicatie (waaronder opiaten),  het voorschrijven van recepten op het receptpapier van een andere arts voor eigen gebruik, het wel laten voorschrijven maar niet gebruiken van medicatie tot behoud van een uitkering, de door hemzelf gemelde langdurige arbeidsongeschiktheid, alsmede zijn langdurig bestaande cognitieve problemen, maken dat het verbod  tot wederinschrijving naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege gehandhaafd moet blijven. Het vertrouwen dat de samenleving in een arts mag stellen wordt door een dergelijk handelen/nalaten, dat de waarden van het beroep in de kern raakt, wezenlijk aangetast. Daarom kan dat handelen/nalaten niet los worden gezien van de hoedanigheid van arts, ook al vond het niet in de uitoefening van die hoedanigheid plaats.

Tegen deze achtergrond acht het Centraal Tuchtcollege de vrijwillige doorhaling en de verklaring van de arts dat hij - doordat hij naar zijn inschatting onmogelijk kan voldoen aan de herregistratie-vereisten -  in de toekomst niet meer als arts zal werken, niet toereikend en onvoldoende geborgd.

Ook deze grief faalt.

4.9 In de vierde grief betwist de arts dat hij de receptenbrieven valselijk heeft opgemaakt.

4.10 Wat hier verder ook van zij, als onbestreden staat vast dat de arts op recepten- papier van een andere arts recepten ten behoeve van zichzelf heeft uitgeschreven. Ook dit is op zich al tuchtrechtelijk verwijtbaar zodat hier in het midden kan blijven of dat bovendien valselijk is geschied.Daarbij merkt het Centraal Tuchtcollege op dat bekendheid met die handelwijze bij een andere arts niet toe- of afdoet aan de  laakbaarheid van het voorschrijven van recepten op andermans receptenpapier.

Deze grief slaagt evenmin.

4.11 In de vijfde grief betwist de arts – zakelijk weergegeven -  de opgelegde maatregel.

4.12 De conclusie van het Centraal Tuchtcollege is dat de klacht van de Inspectie gegrond is. Het beroep van de arts wordt verworpen. Het College acht de zware sanctie van het verbod tot wederinschrijving in het BIG-register passend en geboden. Bij de keuze voor deze maatregel heeft het College de ernst van de verwijten bepalend geacht. Het belang van de arts weegt niet op tegen het algemeen belang van de volksgezondheid. Daarnaast heeft het College in de overwegingen betrokken dat uitgesloten moet worden dat de aangeklaagde ooit als arts werkzaam zal zijn, nu hij er onmiskenbaar blijk van heeft gegeven niet geschikt te zijn voor de curatieve sector. 

4.13 Het voorgaande voert tot de slotsom dat het Centraal Tuchtcollege de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege bevestigt onder gedeeltelijke wijziging en aanvulling van de gronden en dat het beroep van de arts wordt verworpen.

4.14 Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal de publicatie van deze beslissing worden gelast dan wel verzocht.

5.              Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep;

handhaaft de ontzegging aan de arts het recht om wederom in het BIG-register te worden ingeschreven;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG

zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door:  J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter, Y. Buruma en R. Veldhuisen, leden-juristen en A.C.L. Allertz en M.C. ten Doesschate, leden-beroepsgenoten en H.J. Lutgert, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 11 oktober 2018.

print dit artikel
  • Sophie Broersen

    Journalist en arts niet-praktiserend Sophie Broersen schrijft over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieert zij tuchtzaken.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.