Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Casus van de week
Tom Marcelissen Maartje van ’t Hof Rens Jacobs
03 juni 2015 2 minuten leestijd
Gezien

Bloed en slijm bij de urine

2 reacties

Op de polikliniek urologie kwam een 78-jarige vrouw die bloed en slijm bij haar urine had gezien. Zij had geen mictieklachten of buikklachten. Haar voorgeschiedenis vermeldde hypertensie en hyperthyreoïdie waarvoor haar schildklier chirurgisch was verwijderd. Bij lichamelijk onderzoek vonden we geen afwijkingen. Urineonderzoek leverde ook geen afwijkingen op. Bij cystoscopie zagen we een tumor bij het blaasdak, met necrotisch beslag (zie figuur 1). Er werd een CT-urografie verricht waarop een blaastumor was te zien met doorgroei richting ventrale buikwand in het verloop van de urachusstreng (figuur 2). Er waren geen aanwijzingen voor lymfadenopathie of metastasen op afstand. Patiënt onderging een cystectomie met urinederivatie volgens Bricker. PA-onderzoek toonde een goed gedifferentieerd muceus adenocarcinoom.


Een primair adenocarcinoom van de blaas is een zeldzame aandoening en wordt gezien bij minder dan 1 procent van alle blaastumoren. Hierbij gaat 20-39 procent uit van de urachusrest. De urachus is een embryonale, buisvormige verbinding tussen de navel en de blaas. Deze structuur verdwijnt gewoonlijk na de geboorte. Bij volwassenen blijft er vaak een streng over van 2 tot 5 cm, die zich uitstrekt van de fundus van de blaas richting de navel. Het adenocarcinoom van de urachus komt vaker voor bij mannen en meestal tussen het 50ste en 60ste levensjaar. De meest voorkomende symptomen zijn hematurie, pijn en mictieklachten. De prognose is relatief slecht met een vijfjaarsoverleving van
37 procent. De behandeling bestaat primair uit chirurgische resectie met partiële of radicale cystectomie. De tumoren zijn niet gevoelig voor radiotherapie. De rol van adjuvante chemotherapie is nog onduidelijk.


Maartje van ’t Hof,anios urologie, Medisch Centrum Atrium-Orbis

Rens Jacobs, aios urologie, Medisch Centrum Atrium-Orbis

Tom Marcelissen, aios urologie, Medisch Centrum Atrium-Orbis

contact:

m.vanthof@orbisconcern.nl

cc: redactie@medischcontact.nl

<b> PDF van deze Gezien</b>
Gezien
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Dr. Bas W.G. van Rhijn, uroloog NKI-AVL, Amsterdam 29-07-2015 02:00

    "Met verbazing las ik de behandeling van Van ’t Hof e.a. van een zeer zeldzaam mucineus adenocarcinoom van de urachus. In het NKI-AVL hebben we in 20 jaar zo’n 60 patiënten met deze aandoening behandeld waarbij we sinds 10 jaar bij patiënten zonder metastasering op een CT-thorax/abdomen, verder stadiëren met een diagnostische laparoscopie om peritonitis carcinomatosa uit te sluiten. Als we daarbij peritonitis carcinomatosa vinden, komt de patiënt in aanmerking voor excisie van de urachus met partiële cystectomie en hypertherme intra-peritoneale chemotherapie. Vinden we geen peritonitis carcinomatosa, komt patiënt in aanmerking voor excisie van de urachus met partiële cystectomie. Tevens worden de patiënten voorbestraald en wordt er aansluitend aan de ingreep brachytherapie toegepast. Onze resultaten hebben we laten zien op de voorjaarsvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Urologie. De behandeling van het urachuscarcinoom is derhalve veel meer geënt op de behandeling van het colorectale adenocarcinoom dan op de behandeling van het invasieve blaascarcinoom.

    De collega’s uit MC Atrium-Orbis hebben bij deze 78-jarige patiënte gekozen voor een cystectomie en een incontinenturinestoma (brickeroperatie). Dit is een typische behandeling voor invasief urotheelcelcarcinoom van de blaas. Uit de literatuur blijkt dat een totale cystectomie overbehandeling van het urachus(adeno)carcinoom is; een lokale excisie met partiële cystectomie is equivalent qua tumorcontrole en overleving.1-3 Daarnaast vermeldt de casus tevens dat patiënte geen mictieklachten had en kijkend naar het plaatje van de CT-scan lijkt er voldoende blaascapaciteit te resteren voor een acceptabele mictie na een partiële cystectomie. Als wij patiënte behandeld zouden hebben zou zij hoogstwaarschijnlijk haar blaas nog in situ hebben. Het zou dus beter zijn geweest patiënte te verwijzen naar of te overleggen met een centrum met ervaring met deze zeer zeldzame tumor.

    Referenties:
    1. Ashley R, Inman B, Sebo TJ, Leibovich BC, Blute ML, Kwon ED, et al. Urachal carcinoma: clinicopathologizc features and long-term outcomes of an aggressive malignancy. Cancer 2006;107:712–20.
    2. Herr HW, Bochner BH, Sharp D, Dalbagni G, Reuter VE. Urachal carcinoma: contemporary surgical outcomes. J Urol 2007;178:74–8.
    3. Bruins HM, Visser O, Ploeg M, Hulsbergen-van de Kaa C a, Kiemeney L a LM, Witjes JA. The clinical epidemiology of urachal carcinoma: results of a large, population based study. J Urol 2012;188:1102–7.
    "

  • M. van 't Hof, T. Marcelissen, C. Berendsen, T. Tuytten, Medisch Centrum 29-07-2015 02:00

    "Geachte collega Van Rhijn,

    Nogmaals bedankt voor uw waardevolle aanvulling op deze casus. Het betreft inderdaad een patiënt met een mucineus adenocarcinoom waarbij een origine vanuit de urachus goed mogelijk is.

    Patiënte is binnen ons multi-disciplinaire oncologische urologie overleg met de afdeling radiotherapie besproken, waarbij de mogelijkheid van een blaassparende techniek en radiotherapie zijn besproken.

    In de literatuur is geen overeenstemming over de behandeling partiële versus totale cystectomie en (neo) adiuvante radiotherapie/ brachytherapie. Bij lagere stadia wordt in de literatuur melding gemaakt van een en-bloc (extended) partiële cystectomie, waarbij de oncologische resultaten niet zouden onderdoen voor een totale cystectomie. Het abstract met data uit AvL gepresenteerd bij de NVU vergadering betreft een retrospectief onderzoek met lagere stadia dan bij onze patiënte.

    De functionele blaascapaciteit van patiënte was 150-200cc. In overleg met haar is gekozen voor laparoscopische inspectie gevolgd door robot geassisteerde cystectomie met PLND en intracorporele Bricker. De operatie is zonder complicaties verlopen (Clavien 0), PA p T3b N0 (0/15) M0 R0 adenocarcinoom van de blaas. Follow up na 1 jaar toonde geen recidief. Patiënte is in goede conditie en tevreden met haar beslissing.

    Wij zijn het met collega Van Rhijn eens dat bij de behandeling van lagere stadia van het mucineus adenocarcinoom van de blaas een blaassparende techniek kan worden overwogen. De beslissing hierover gebeurt uiteraard in samenspraak met de patiënt.
    "

 

Casus insturen

Heeft u een interessante casus die u aan uw collega-artsen wilt tonen? Stuur hem in en ontvang het boek Besturen in een doktersjas van Marcel Levi.

lees meer

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.