Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Tuchtrecht
Eva Nyst Veelke Derckx
26 januari 2021 13 minuten leestijd
Tuchtrecht

Nachtelijke transacties naar verpleegkundige

Plaats een reactie
Getty Images
Getty Images

Twee weken lang komt deze nacht­verpleegkundige bij haar patiënt met slokdarmkanker in de terminale fase, tot vier dagen voor zijn dood. Terwijl ze in de verpleegkundige rapportage noteert dat meneer die nacht ‘heel erg verward’ was, blijkt later 5000 euro van zijn rekening te zijn overgeschreven naar de hare. Zo gaat dat nog een paar keer, tot de patiënt bijna 15.000 euro armer is. Nog voor diens overlijden komt dit aan het licht. Er wordt aan­gifte gedaan en de directeur van het particuliere bureau dat heeft bemiddeld in de zorg voor de patiënt dient een tuchtklacht in.

De verpleegkundige spreekt af het bedrag in termijnen terug te betalen en betuigt spijt. Zij vertelt dat ze uitgebreide gesprekken had met patiënt en dat hij haar wilde helpen om haar familie en kennissen elders te ondersteunen.

Het regionaal tuchtcollege haalt haar inschrijving in het BIG-register door. Van de verpleegkundigenberoepscode mocht ze niet meer dan een ‘symbolisch gebaar van dank’ accepteren. Bij het opleggen van deze maatregel speelt mee dat het college twijfelt aan het morele kompas van de verpleegkundige en stelt dat niet is ­gebleken dat zij spijt had richting patiënt. In hoger beroep wijst klaagster erop dat zij is vrijgesproken door de strafrechter. Voor de beoordeling van de klacht door het Centraal Tucht­college maakt dat niet uit. Het CTG vindt een zware maatregel op zijn plaats, maar acht schorsing van de inschrijving in het BIG-register van één jaar afdoende omdat het risico op herhaling minimaal wordt geacht, het geld is terugbetaald en ze gaat een­ ­integriteitscursus volgen.

Eva Nyst, journalist

mr. Veelke Derckx, adviseur gezondheidsrecht

Download de ingekorte uitspraak (in pdf)

Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 4 december 2020

Volledige uitspraak

Beslissing in de zaak onder nummer C2020.096 van:

A., verpleegkundige, destijds werkzaam te B., appellante, verweerster in eerste aanleg, gemachtigde: mr. P.T. Verweijen, advocaat te Rotterdam,

tegen

C., gevestigd te D., verweerster in beroep, klaagster in eerste aanleg, vertegenwoordigd door E., directeur en mede‑eigenaar van C..

1. Verloop van de procedure

E. heeft op 18 september 2019 namens C. – hierna klaagster – bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen A. – hierna de verpleegkundige – een klacht ingediend. Bij beslissing van 3 maart 2020, onder nummer 2019-210, heeft dat college de klacht gegrond verklaard, de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register opgelegd en bepaald dat deze beslissing, nadat deze onherroepelijk is geworden, in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Nursing, vakblad V&VN, tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact.

De verpleegkundige is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 13 oktober 2020, waar zijn verschenen de verpleegkundige, bijgestaan door P.T. Verweijen, voornoemd, en klaagster, vertegenwoordigd door

E., voornoemd, en F., teamleider planning bij C.. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en mr. Verweijen heeft een pleitnota overgelegd.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. De feiten

2.1 Klaagster is directeur en mede-eigenaar van C.. C.heeft op verzoek van de Thuiszorgorganisatie G. beklaagde (werkzaam als ZZPster) bemiddeld in de zorg voor de heer H. (hierna: patiënt) te B..

2.2 Beklaagde heeft aldus van 30 mei 2019 tot 9 juni 2019 telkens als nachtzuster thuis zorg verleend aan de alleenwonende patiënt. Overdag en ’s avonds waren er andere zorgverleners. Tussen de zorgverleners vond geen mondelinge overdracht plaats. Wanneer beklaagde bij patiënt arriveerde was er, behoudens patiënt, niemand aanwezig. Patiënt leed aan slokdarmkanker en bevond zich in de terminale fase. Patiënt is op 13 juni 2019 (als gevolg van euthanasie) overleden.  Beklaagde is sinds 2016 verpleegkundige en werkt in die hoedanigheid als ZZPster.

2.3 De nachtzorg aan patiënt vond in deze eerste week van juni 2019 telkens plaats van 23.00 uur tot 07.00 uur. In en/of rond die periode zijn diverse bedragen (in totaal € 14.800) van de bankrekening van patiënt overgeschreven naar de bankrekening van beklaagde, en wel als volgt: op 3 en 5 juni 2019 telkens een bedrag van € 5000. Op 6 juni 2019 om 00:02:00 uur een bedrag van € 1.200, om 05:52:06 uur een bedrag van € 3.500 en om 05.55:31 uur een bedrag van € 100 (zie ook de op dit punt onweersproken vaststellingsovereenkomst, hierna genoemd in 2.6). Beklaagde heeft dit totaalbedrag van € 14.800 naar elders overgemaakt, naar haar zeggen naar I..

2.4  Beklaagde heeft in de verpleegkundige rapportage in de nacht van 3 op

4 juni 2019 onder meer vermeld: “Dhr [College: patiënt]  was heel erg verward (….) hij luisterde ook even niet naar mij, vond hem veels te verward. Dhr in bed gelegd, werd rustig en sliep heel de nacht 1x eruit geweest (….)”

In de rapportage van de nacht van 4 op 5 juni 2019 heeft beklaagde onder meer vermeld:  “Dhr heeft goed geslapen, rustige nacht (…)”

In de nacht van 5 op 6 juni 2019 heeft beklaagde in de rapportage onder meer vermeld:

”Dhr gaf aan dat hij erg moe is van het leven en dat hij dat zo niet meer wil. (…)”

In de rapportage over de nacht van 6 op 7 juni 2019 heeft beklaagde onder meer geschreven: “Dhr heeft redelijk goed geslapen; gaf wel vanochtend aan dat hij veel pijn heeft (…)”

2.5 De omgeving van patiënt heeft op 8 en 9 juni 2019 de (in 2.3 vermelde)  overschrijvingen ontdekt en hiervan op 10 juni 2019 aangifte gedaan bij de politie. Patiënt is hier vanwege zijn terminale situatie buiten gelaten.

2.6 Beklaagde heeft op 11 juli 2019 een vaststellingsovereenkomst getekend, waarin ze afspreekt dat ze vanaf 1 augustus 2019 het bedrag van € 14.800 in 24 achtereenvolgende maandelijkse termijnen zal terugbetalen. Inmiddels heeft beklaagde volgens dit schema terugbetalingen gedaan.

2.7 Beklaagde is in februari 2020 gedagvaard voor de Politierechter in de rechtbank wegens verdenking van diefstal van de in 2.3 genoemde bedragen.

2.8  De Beroepscode Verpleegkundigen en Verzorgenden (hierna: Beroepscode V&V) bepaalt in artikel 2.4 onder meer:

“Als verpleegkundige/verzorgende neem ik in mijn relatie met de zorgvrager (en/of zijn vertegenwoordiger) professionele grenzen in acht. Dat betekent onder andere dat ik

• geen misbruik maak van de afhankelijke positie van de zorgvrager

• (….)

• geen gift in natura, geld of geschenk van de zorgvrager of diens sociale netwerk accepteer dat meer is dan een symbolisch gebaar van dank

• (…)”

3. De klacht

Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat zij in haar positie van zorgverlener aan de stervende patiënt ernstig misbruik heeft gemaakt van het in haar gestelde vertrouwen door zich het bedrag van € 14.800 toe te eigenen, hetgeen ze niet had mogen doen. Toen patiënt sliep heeft beklaagde patiënts wachtwoord van internetbankieren gevonden en vervolgens in vijf etappen dit bedrag van de rekening van patiënt overgemaakt naar haar eigen rekening, aldus nog steeds klaagster.

4. Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij tijdens de zorg uitgebreide gesprekken heeft gehad met patiënt. Beklaagde heeft daarbij aan patiënt verteld dat zij voor familie en kennissen zorgt in onder andere I.; dat beklaagde het hierdoor soms ook zelf financieel lastig heeft. Patiënt heeft vervolgens om beklaagde te helpen zelf deze bedragen overgemaakt naar de bankrekening van beklaagde. Beklaagde was hier niet direct bij aanwezig. In ogen van beklaagde was de patiënt niet wilsonbekwaam en was hij hier lijfelijk toe in staat .

Beklaagde erkent dat ze nooit geld van patiënt had mogen aannemen. Zij neemt hiervoor haar verantwoordelijkheid en biedt hiervoor haar excuses aan. Zij heeft hier spijt van en beseft dat ze in strijd met de beroepscode heeft gehandeld. Zij is nimmer met het tuchtrecht in aanraking geweest en zal ook nimmer meer handelen zoals ze heeft gedaan.

5. De beoordeling

5.1 Klaagster is op grond van artikel 65, eerste lid onder c, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) klachtgerechtigd, nu beklaagde bij de instelling C., waarvan klaagster directeur is, voor het verlenen van individuele zorg is ingeschreven, althans nu de relatie tussen klaagster en beklaagde deze strekking heeft.

5.2 Duidelijk is geworden dat een aanzienlijk geldbedrag (€ 14.800), afkomstig van de aan de zorg van beklaagde toevertrouwde – nota bene terminale – patiënt, willens en wetens door beklaagde is ontvangen. Dit is hoe dan ook zeer ernstig en in strijd met artikel 2.4 van de Beroepscode V&V. Duidelijk is immers dat de hoogte van dit bedrag een eventueel  symbolisch gebaar van dank verre overschrijdt.

Anders dan beklaagde stelt lijken er bovendien wel degelijk aanwijzingen voor strafbare gedragingen te zijn. Blijkens de verpleegkundige rapportage was patiënt herhaaldelijk verward, sliep hij veel en was hij (levens)moe. Daarnaast kende patiënt beklaagde, gelet op de zorghistorie, nog maar kort zodat de gestelde vrijgevigheid niet voor de hand ligt. Bovendien is in het licht hiervan niet goed verklaarbaar waarom de overschrijvingen op vijf aparte momenten moesten plaatsvinden, in de nacht van 6 juni 2019 zelfs driemaal. De omstandigheid dat één van deze afschrijvingen volgens beklaagde niet in haar diensttijd heeft plaatsvonden, maakt dit niet anders. Overigens heeft het College bewijsstukken omtrent de exacte afschrijfmomenten (op 3 en 5 juni 2019) niet ontvangen, terwijl in ieder geval als erkend vaststaat dat tenminste vier van de vijf afschrijvingen binnen de diensttijd van beklaagde hebben plaatsgevonden. Wat er werkelijk heeft plaatsgevonden in de betreffende nachten kan het College, naast het voorgaande, verder niet vaststellen. Wél is voor het College duidelijk dat beklaagde in ieder geval misbruik heeft gemaakt van de afhankelijke positie van patiënt. Dit alles overigens nog los van de door beklaagde ondertekende vaststellingsovereenkomst (zie 2.6 bij de feiten) waarin onder meer is vermeld dat beklaagde zich het bedrag van € 14.800 op onrechtmatige wijze heeft toegeëigend. Het College zal een definitief oordeel over de mogelijke strafbaarheid van beklaagde in het midden laten. Dit is de taak van de strafrechter.

5.3 Het College vindt het handelen van beklaagde, ook wanneer de lezing van beklaagde wordt gevolgd, onvergeeflijk. Beklaagde heeft immers als verpleegkundige het (door patiënt en zijn naaste omgeving) in haar gestelde vertrouwen ernstig beschaamd. Juist in deze situatie bij een terminale en blijkens de verpleegkundige rapportage regelmatig verwarde patiënt, waarbij beklaagde speciaal tot taak had in de nachtelijke uren zorg te verlenen aan patiënt die op die momenten (verder) alleen was, heeft beklaagde haar professionele grenzen volstrekt overschreden. Zelfs al heeft patiënt aangeboden om beklaagde financieel te helpen, dan nog had beklaagde moeten begrijpen dat dit absoluut niet kon. Nu dit patroon zich bovendien dagen herhaalde, had dit voor beklaagde een extra reden moeten zijn om tot inkeer te komen en zich te realiseren dat ze telkens haar professionele grenzen bleef overschrijden. De Beroepscode V&V is hier, zoals gezegd, ook volstrekt duidelijk over. De zorgverlener mag van patiënt geen cadeaus aannemen anders dan als een symbolisch gebaar van dank. Van dit laatste was onmiskenbaar geen sprake.

5.4 Beklaagde heeft aldus ernstig misbruik gemaakt van een afhankelijke en (deels) verwarde patiënt. De stelling van beklaagde ter zitting dat patiënt een heldere indruk op haar maakte, wordt weersproken in de verpleegkundige rapportage. Niet alleen beklaagde noteert verwardheid, ook in de dagrapportage wordt gesproken over wisselend heldere momenten. Hier komt bij dat patiënt forse pijnstilling gebruikte, passend bij de terminale fase waarin hij verkeerde.

5.5 De conclusie is dan ook dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij ten opzichte van patiënt en zijn omgeving behoorde te betrachten, zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a van de Wet BIG.

5.6 Tevens levert dit een schending op van de tweede tuchtnorm (van artikel 47, eerste lid onder b van de Wet BIG), aangezien beklaagde ook in strijd heeft gehandeld met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Immers de gezondheidszorg/ thuiszorg in Nederland is, zeker nu patiënten en ouderen steeds langer thuis wonen, zo ingericht dat zorgverleners (zoals beklaagde) vaak zonder (direct) toezicht bij patiënten thuis werken. Dit kan alleen als de zorgverleners volstrekt onkreukbaar zijn en patiënten en hun omgeving hierop kunnen vertrouwen. Een voorval als dit ondermijnt dit vertrouwen in ernstige mate.

De klacht is gegrond.

5.7 Het College acht onder deze omstandigheden doorhaling van de inschrijving van beklaagde in het register op zijn plaats. Niet alleen gaat het om een groot geldbedrag afkomstig van een terminale, afhankelijke patiënt, maar ook heeft beklaagde, zoals gezegd, zich niet later, bij de herhaalde ontvangst van de diverse bedragen, gerealiseerd dat ze fout zat en/of spontaan maatregelen genomen om dit op een of andere manier te corrigeren. Dit is pas later gebeurd, nadat de familie de afschrijvingen had ontdekt (zie de vaststellingsovereen­komst). Sterker nog, het bedrag is (volgens de verklaring van beklaagde ter zitting) onmiddellijk naar elders doorgesluisd. Evenmin heeft beklaagde de voorvallen bespreekbaar gemaakt bij collega’s. Aldus heeft het College serieuze twijfels of beklaagde wel het juiste morele kompas heeft voor haar zorgtaken. De wens om eigen familie en kennissen te helpen, zoals beklaagde aanvoert, mag niet ten koste gaan van de aan beklaagdes zorg toevertrouwde patiënt. Weliswaar heeft beklaagde desgevraagd ter zitting gezegd dat ze de Beroepscode V&V kende en spijt betuigd, maar dat de spijt de betrokken patiënt en zijn omgeving betrof is voor het College niet kenbaar geworden. Onder deze omstandigheden acht het College het niet verantwoord om beklaagde na enige tijd terug te laten keren in haar beroep als verpleegkundige.

5.8 Het College zal om redenen aan het algemeen belang ontleend publicatie van deze beslissing gelasten ingevolge het in artikel 71 Wet BIG bepaalde.”

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden. In aanvulling hierop stelt het Centraal Tuchtcollege vast dat de politierechter de verpleegkundige op 11 februari 2019 heeft vrijgesproken van het haar ten laste gelegde feit en dat hiertegen geen hoger beroep is ingesteld.

4. Beoordeling van het beroep

4.1 De verpleegkundige komt in beroep niet op tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat zij heeft gehandeld in strijd met de Beroepscode Verpleegkundigen & Verzorgenden. Haar beroep is uitsluitend gericht tegen de opgelegde maatregel van doorhaling van inschrijving in het BIG-register. De verpleegkundige betoogt dat het Regionaal Tuchtcollege er bij zijn beslissing ten onrechte van uit lijkt te zijn gegaan dat sprake was van diefstal. Zij wijst in dat kader op de vrijspraak door de politierechter.

4.2 Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij acht de stelling van de verpleegkundige dat de patiënt zelf de bedragen naar de bankrekening van de verpleegkundige heeft overgemaakt volstrekt ongeloofwaardig. Volgens haar was wel degelijk sprake van strafbare gedragingen van de verpleegkundige. Klaagster is van mening dat het beroep van de verpleegkundige moet worden verworpen en de bestreden beslissing moet worden gehandhaafd.

4.3 Het Centraal Tuchtcollege overweegt als volgt.

Vast staat dat in de eerste week van juni 2019 vijf keer een bedrag van de bankrekening van de patiënt is overgeschreven naar de bankrekening van de verpleegkundige, tot een totaalbedrag van € 14.800,00. De verpleegkundige heeft deze bedragen geaccepteerd en direct overgemaakt aan derden, naar haar zeggen goede doelen in I. en J..

4.4 Het gegeven dat de verpleegkundige door de politierechter is vrijgesproken van – naar het Centraal Tuchtcollege begrijpt – diefstal, betekent niet dat de verpleegkundige geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. In dat kader is van belang dat het strafrecht en het tuchtrecht verschillende doelstellingen hebben en een ander toetsingskader. Het tuchtrecht heeft primair tot doel het bevorderen en bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening in de gezondheidszorg en de bescherming van de patiënt.

4.5 Ook als ervan uit wordt gegaan dat de patiënt de bedragen zelf naar de bankrekening van de verpleegkundige heeft overgemaakt, omdat hij haar dan wel door haar gesteunde doelen heeft willen helpen – het Centraal Tuchtcollege laat dit in het midden – geldt dat het accepteren van een geldbedrag van €14.800,00 een ernstige schending van artikel 2.4 van de Beroepscode Verpleegkundigen en Verzorgenden oplevert. Duidelijk is dat dit bedrag een symbolisch gebaar van dank ver overschrijdt. Het Centraal Tuchtcollege acht dit handelen van de verpleegkundige zeer laakbaar. Zij had tot taak om in de nachtelijke uren zorg te verlenen aan een terminale en blijkens de verpleegkundige rapportage regelmatig verwarde patiënt die op dat moment verder alleen was en heeft met het accepteren van het geldbedrag het vertrouwen dat patiënt en zijn naaste omgeving in haar hebben gesteld ernstig beschaamd.

4.6 Ook heeft de verpleegkundige hiermee het vertrouwen dat de maatschappij in zorgverleners moet kunnen hebben in ernstige mate ondermijnd. Dit is des te kwalijker nu patiënten en ouderen steeds langer thuis blijven wonen en zorgverleners vaak zonder direct toezicht bij mensen thuis werken. Dit is alleen mogelijk als deze zorgverleners volstrekt onkreukbaar zijn en ontvangers van zorg hierop kunnen vertrouwen.

4.7 De conclusie is dat de verpleegkundige vanwege het accepteren van het geldbedrag van €14.800,00 een ernstig tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Daarbij neemt het Centraal Tuchtcollege mede in aanmerking dat het geldbedrag op een paar achtereenvolgende dagen is overgemaakt, zodat er verscheidene momenten zijn geweest waarop de verpleegkundige zich had kunnen bezinnen en zich had kunnen realiseren dat haar handelen fout was. Dit is echter toen niet gebeurd.

4.8 Het Centraal Tuchtcollege overweegt over de op te leggen maatregel dat het gaat om een groot geldbedrag, afkomstig van een afhankelijke patiënt. Bovendien heeft de verpleegkundige, als gezegd, indertijd meermalen de gelegenheid gehad om tot inkeer te komen, echter zonder resultaat. Dit rechtvaardigt dat aan de verpleegkundige een zware maatregel wordt opgelegd. In aanmerking nemend dat de verpleegkundige inmiddels erkent dat zij fout heeft gehandeld, het risico op herhaling minimaal wordt geacht, de verpleegkundige tot op heden overeenkomstig het overeengekomen schema terugbetalingen aan de familie van de patiënt heeft gedaan en dat zij voornemens is een integriteitscursus te volgen, acht het Centraal Tuchtcollege de maatregel van schorsing van de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register voor de periode van een jaar passend en toereikend. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege, acht het Centraal Tuchtcollege de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register in dit geval te vergaand.

4.9 Dit betekent dat de bestreden beslissing van het Regionaal Tuchtcollege dient te worden vernietigd, voor zover deze de maatregel betreft, en dat het Centraal Tuchtcollege – opnieuw rechtdoende – alsnog aan de verpleegkundige de maatregel van schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor de periode van één jaar zal opleggen, onder verbetering en aanvulling van de gronden van de beslissing.

4.10 Om redenen aan het algemeen belang ontleend, gelast het Centraal Tuchtcollege de publicatie van deze uitspraak.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  • vernietigt de beslissing waarvan beroep, voor zover daarbij de maatregel van doorhaling van de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register is opgelegd;

en opnieuw rechtdoende:

  • legt op de maatregel van schorsing van de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register voor de periode van één jaar;
  • bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan de tijdschriften Nursing, vakblad V&VN, tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter, S.M. Evers en L.F. Gerretsen, leden-juristen en D.A. Polhuis en P.A.M. Storck, leden‑beroepsgenoten en E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 4 december 2020.

Tuchtrecht
  • Eva Nyst

    Eva Nyst (1973) is journalist bij Medisch Contact en heeft als aandachtsgebieden veiligheid, recht, ethiek en preventie.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.