Alles voor jou als geneeskundestudent

Inloggen
naar overzicht

‘Zoek een bijbaan in de zorg’

1 reactie

Bedremmelde studenten groeien uit tot volleerde bestuurders

Bestuursvoorzitter Louise Gunning-Schepers van het AMC vindt dat geneeskundestudenten naast hun studie ook bestuurlijk actief moeten zijn. ‘Daarvan leer je heel veel. En als je geld wilt verdienen, ga dan geen vakken vullen maar ga helpen op de prikpoli of kies voor een onderzoeksassistentschap.’ Henk Maassen

> voor een bijbaan in de zorg ga je naar artsinspebanen.nl

Louise Gunning-Schepers (1951) is druk bezet. Het kost moeite een gaatje in haar agenda te vinden voor een interview. Die volle agenda is verklaarbaar: sinds 1 januari 2001 is ze voorzitter van de raad van bestuur van het AMC en geeft ze leiding aan zevenduizend mensen. Daarvoor was ze vanaf 1991 hoogleraar sociale geneeskunde bij het AMC en onder andere lid van de invloedrijke Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Ze schreef mee aan het verkiezingsprogramma van de PvdA.
Ze is ook decaan van de faculteit Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam. Je hoort van studenten dat het nieuwe curriculum nog niet op rolletjes loopt. Maar daarmee is Louise Gunning het niet eens. ‘Misschien loopt het nog niet voor 100, maar wel voor 98 procent. Ik heb veel waardering voor de mensen die dat voor elkaar hebben gekregen. Van oudsher kunnen we hier bij het AMC rekenen op de inbreng van onze boegbeelden: de toppers uit de kliniek en de fundamentele research. Zij zijn als zodanig voortdurend aanwezig geweest bij de introductie van het nieuwe curriculum. Ook tijdens de colleges in het eerste jaar. Om duidelijk te maken dat onderwijs niet als laatste komt in de verdeling van taken - daarvoor is het te belangrijk.’

Is er veel veranderd, sinds de dagen dat u studeerde?
‘Ja. Ik begon mijn studie in 1970 in Groningen. Toen was het nog heel gebruikelijk dat studenten niet naar college gingen, het handboek bestudeerden en zo hun tentamen haalden. Nu is dat heel anders. De socialisatie van studenten begint meteen. Vrijwel direct komen ze in aanraking met patiëntenzorg en onderzoek. De meeste studenten kiezen welbewust voor het vak. Door de numerus fixus en de loting krijgen ze natuurlijk ook het gevoel dat het om iets kostbaars gaat.’

Zelf ben u uiteindelijk geen dokter geworden.
‘Na mijn kandidaats (vroeger de afsluiting van de preklinische fase, red.) ben ik met mijn echtgenoot naar de Verenigde ­Staten gegaan. Ik wilde daar mijn studie afmaken aan de George Washington Universiteit. Ik werkte ondertussen bij het stads­ziekenhuis van Washington DC. Wat ik daar als consulent planned parenthood aantrof, was een grote schok. Ik maakte kennis met de werkelijkheid van een zwarte onderklasse: veel ellende rond zwangerschap, onverzekerden, abortus. Mede onder invloed van die ervaring deed ik een masters public health aan de Johns Hopkins Universiteit. Dat bleek een fantastische opleiding.’

Sociale geneeskunde is onder studenten niet de meest populaire tak van geneeskunde.
‘Het is maar hoe je het bekijkt. Het vak valt in twee deelgebieden uiteen. Aan de ene kant heb je epidemiologie, preventie en public health. Aan de andere kant: beleid, wetgeving en managementactiviteiten. Toen ik als hoogleraar onderwijs gaf in het eerste jaar zat de collegezaal altijd vol. Studenten vonden het een leuk vak, vooral als het ging over public health. Maar zodra ik het had over financiering en wetgeving sloeg de verveling toe. Ik begrijp het wel: als geneeskundestudenten net zijn begonnen, vinden ze het best interessant om wat te leren over de geschiedenis van de volksgezondheid, bijvoorbeeld over hoe de bestrijding van infectieziekten aanleiding is geweest voor vrij zware preventieve overheidstaken. Dat geeft een achtergrond bij de meer klinische onderwerpen. Dat andere aspect wordt pas interessant als ze een eigen praktijk hebben of in een maatschap zitten. Of als ze geïnteresseerd raken in de maatschappelijke kant van de gezondheidszorg.’

Heeft uw keuze voor de sociale geneeskunde uw politieke voorkeur beïnvloed?
‘Ja, maar niet zozeer een partijpolitieke. Wel wat betreft het type oplossingen dat ik nastreef. Neem de geschiedenis van de Nederlandse moeder- en kindzorg, die honderd jaar geleden begon. Dat is een vorm van sociale betrokkenheid en maatschappelijk ondernemen waarop we trots mogen zijn. Het is deel van een traditie die wil dat professionals patiënten nooit in de steek laten, ook niet als ze onverzekerd zijn. Ik vind: artsen en verpleegkundigen worden eerder dan wie ook aangesproken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Studenten horen dat serieus te nemen en dat doen ze ook. Je ziet het ook aan de mate waarin artsen hun professie serieus nemen: er is geen vakgebied in Nederland, geen groep van afgestudeerden, waarvan zo’n groot percentage promoveert en waarvan zo’n groot percentage, ook als ze niet academisch werken, is geabonneerd op één of meer wetenschappelijke tijdschriften.’

Toch kan er veel worden verbeterd aan de gezondheidszorg, vindt bijvoorbeeld de hoogste man van KPN, ­Ad Scheepbouwer. Hij schreef vorig jaar een rapport over de zorg, waarover u nogal boos was. Waarom?
‘Hier spelen feiten en emoties. Ik erken dat de geneeskunde kan leren van andere disciplines. De anesthesiologie kijkt naar luchtvaart om te leren hoe je de patiëntveiligheid beter kunt bewaken. Misschien moeten we dat meer doen. Dan de emoties. Die hebben te maken met de manier waarop mensen uit het bedrijfsleven soms naar ons ‘bedrijf’ kijken. Stel dat ik de directeur van een ijsfabriek zou adviseren over hoe hij zijn bedrijf moet leiden. Dan zou hij toch ook zeggen: u weet niets van ijsjes maken. Misschien zou hij van me kunnen leren, maar als ik zomaar binnenkom en van wal steek dan valt dat niet meteen in te zien.’

Ook managers van ziekenhuizen en dokters lijken soms uit verschillende werelden te komen.
‘Professionals moeten zelf bestuurlijke verantwoordelijkheid nemen. Want zij weten waarover het gaat en kennen de professionele dilemma’s. Soms moet je in het algemeen belang beslissingen nemen waarmee directe beroepsgenoten niet blij zijn. Niet iedereen begrijpt dat. Als de ouders van de eerstejaars hier zijn op de jaarlijkse kennismakingsdag, zeg ik altijd weer: “Ik weet dat jullie je zorgen maken of ze de studiepunten wel binnenhalen”. Dat vond ik bij onze kinderen ook altijd heel spannend. Maar het is minstens zo belangrijk voor ze dat ze tijdens hun studie bestuurlijke taken op zich nemen. Daarvan leren ze heel veel. Het bestuur van ons onderwijsinstituut bestaat uit drie docenten en twee studenten. Telkens weer zie ik hoe een aanvankelijk bedremmelde student in twee jaar uitgroeit tot een volleerd bestuurder. Hoe meer studenten zulke dingen oefenen, hoe beter het is. Dat geldt ook voor andere bijbanen. Aan het begin van het jaar zeg ik altijd tegen ze: als je geld wilt verdienen, ga dan niet vakken vullen, maar doe iets waarvan je later profijt hebt: helpen op de prikpoli, een onderzoeksassistentschap.’

U heeft eens gezegd: als je als vrouw hogerop wil, trek dan tijdens een congres iets leuks aan en houd dat twee dagen vol, dan herkennen ze je ook op die tweede dag nog als de vrouw die een briljante opmerking maakte. Heeft u uw carrière strategisch aangepakt?
(Aarzelend) ‘Dat weet ik niet... Iedereen in een leidinggevende positie is daar terechtgekomen dankzij een beetje talent, het geluk dat de kans zich voordeed en het lef om deze te grijpen.’

Maar hebben vrouwen niet net wat meer lef, ambitie en doorzettingsvermogen nodig?
‘Ik kan eerlijk gezegd niet zo goed beoordelen of vrouwen zoveel harder moeten knokken dan mannen. Ik denk wel dat leidinggevende vrouwen steeds minder uitzonderlijk zullen zijn.’

U vindt dat vrouwelijke artsen niet alles tegelijk moeten doen: promoveren, specialiseren, kinderen krijgen.
‘Goed weten wat je belangrijk vindt, daar gaat het om. Ik wist zeker dat ik heel graag kinderen wilde. Die heb ik vroeg gekregen en dat bleek achteraf een voortreffelijke keuze. Die keuze kan uiteraard niet iedereen maken. Kinderen krijgen is een feest, maar het is ook een feest tijd en aandacht aan ze te geven. Ik vind het dus helemaal geen probleem dat vrouwen gedurende een aantal jaren parttime werken. Ik heb het zelf ook gedaan. Ik hoop dat het normaal wordt dat vrouwelijke artsen in staat zijn hun werk zo te organiseren dat ze van hun kinderen kunnen genieten, want het is doodzonde als ze dat niet doen.
Toen ik tien jaar geleden in de raad van bestuur kwam, werden zwangerschappen onder assistenten langzaam een onderwerp van overleg. We hebben het probleem intussen organisatorisch opgelost, maar ik geef toe, het systeem werkt niet perfect. Mijn stelling is: de vertraging van twee of drie jaar die je met zwangerschap en jonge kinderen oploopt, is op een heel leven betrekkelijk gering. Daarvan moet de maatschappij dus helemaal niet zo’n probleem maken.’

print dit artikel
zwangerschap
  • Henk Maassen

    Henk Maassen (1958) is journalist bij Medisch Contact, met speciale belangstelling voor psychiatrie en neurowetenschappen, sociale geneeskunde en economie van de gezondheidszorg.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • salima, utrecht 02-01-2010 00:00

    "ik ben er wel geintreceerd in."

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.