Alles voor jou als geneeskundestudent

Inloggen
naar overzicht
Bernadette Koopmans
16 augustus 2012 5 minuten leestijd

Ziek door een dier

Plaats een reactie

Studenten weren zich tegen zoönosen

Q-koorts via een geit, de pest die terug is van weggeweest, oprukkende malariaparasieten, lymeborreliose door een tekenbeet. Allemaal tekenen dat het aantal zoönosen zich uitbreidt. Artsen zijn onmisbaar in de bestrijding. Ook studenten kunnen al iets doen. Bernadette Koopmans

Zoönosen komen via allerlei dieren bij de mens. De eigenlijke veroorzakers, virussen, bacteriën of parasieten, verspreiden zich via water, insectenbeten of voeding. Of gewoon via de lucht, zoals bij de Q-koortsbacterie. ‘Er zijn allerlei manieren om een zoönose op te lopen’, vertelt studente Lotte Kok. Ze doet nu, na haar studie diergeneeskunde, een SUMMA-master geneeskunde omdat ze graag arts/onderzoeker wil worden. ‘Denk aan contact met de uitwerpselen van katten, die vooral bij zwangere vrouwen en jonge kinderen Toxoplasma gondii kunnen veroorzaken. Als je slecht gebakken vlees eet, loop je het risico om salmonellose op te lopen. De bacterie Escherichia coli O157:H7 die voorkomt bij runderen, geiten en schapen, kan leiden tot hemolytisch uremisch syndroom (HUS) en trombotische trombocytopenische purpura (TTP, ook wel ziekte van Moschkowitz). En dan heb je nog de tropenziekten, die steeds vaker worden gespot in niet-tropische gebieden. De malariaparasiet, het hantavirus en het west-nijlvirus zorgen voor zoönosen die in steeds noordelijker gelegen gebieden voorkomen doordat muggen en hun reservoir, vaak wilde vogelpopulaties, steeds beter in ons veranderende klimaat gedijen.’
Geen blootstelling, geen risico. Zoönosen zijn het gevolg van onze manier van leven. Mensen en dieren wonen dicht op elkaar. We reizen de hele wereld over en dan heb je ook nog antibioticaresistentie. Allemaal factoren waarmee we onze kans op infectie vergroten. Lotte Kok: ‘Zoönosen zullen er altijd zijn. Het houden van dieren nabij de bewoonde wereld vergroot het risico op zoönosen. De overheid, veehouders, dierenartsen, personeel van slachthuizen en veevervoerders proberen dit risico te beperken. Maar consumenten kunnen zelf ook veel doen: bijvoorbeeld ons voedsel goed wassen en verhitten. Er is veel informatie beschikbaar op de websites van het RIVM en de GGD. Samen met de overheid hebben de humane en dierenartsen de taak de volksgezondheid te beschermen tegen zoönosen.’

Nieuw protocol
Artsen zijn gewoonlijk de eersten die een zoönose-uitbraak signaleren, waarna de overheid de bestrijding opstart. Tijdens de Q-koortsuitbraken was de samenwerking tussen humane en veterinaire artsen verre van optimaal. Bovendien was niet duidelijk wie politiek verantwoordelijk was: burgemeester of overheid, ministerie van Volksgezondheid of dat van Landbouw? Zeker 25 mensen overleden aan Q-koorts, tienduizenden raakten besmet en nog steeds ondervinden veel patiënten dagelijks soms zeer ingrijpende gevolgen. Een nieuw landelijk protocol (zie het kader) moet zo’n uitbraak in de toekomst voorkomen. Op het Internationale Q-koortssymposium in juni spraken de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de GGD Nederland, de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu af om voortaan sneller signalen uit te wisselen en elkaar vaker te adviseren. Bovendien zorgen regionaal arts consulenten en regionaal veterinair consulenten voor een betere samenwerking tussen humane en veterinaire artsen.

Artsen onmisbaar
Yvonne van Duynhoven is hoofd Laboratorium voor Zoönosen en Omgevingsmicrobiologie van het RIVM. Ze benadrukt dat artsen onmisbaar zijn bij de signalering van ziekten: ‘Zonder een melding wordt een uitbraak niet of te laat opgemerkt en bestreden. De arts moet een meldingsplichtige ziekte bij de mens melden aan de GGD, een ziekte bij dieren aan de NVWA, en een niet-meldingsplichtige ziekte aan de GD of het RIVM. De formele diagnostiek die voorafgaat aan de bestrijding gebeurt altijd door het Centraal Veterinair Instituut. Als het goed is, wordt bij elk consult ook meteen afgewogen of er wellicht een volksgezondheidsaspect aan zit en of mens- en dierenartsen elkaar en een landelijke instantie moeten inseinen’, zegt Van Duynhoven. ‘Voor dierenartsen die altijd al denken in “kuddes” lijkt dat doorgaans vanzelfsprekender dan voor mensartsen, die zich gewoonlijk focussen op hun primaire taak: het behandelen van de patiënt.’

One Health
De perikelen rondom zoönosen laten zien dat dierenwelzijn, volksgezondheid en een gezond milieu met elkaar samenhangen. Is één van de drie uit balans, dan zijn de andere ook aan de beurt. Aanhangers van dit idee introduceerden hiervoor de term ‘One Health’.
Geneeskundestudent Lotte Kok heeft zich altijd al geïnteresseerd in zoönosen en in de samenwerking tussen mens- en dierenartsen. Haar interesse in het ‘One Health’gedachtegoed was ook reden voor een bestuurslidmaatschap van Hygieia, de studievereniging voor diergeneeskunde- en geneeskundestudenten. Hygieia (spreek uit: Hygee-aa) houdt zich sinds 2005 bezig met de bestrijding van zoönosen.
Voorzitter Ellen Hartemink: ‘Hygieia wil een betere samenwerking tussen huis- en dierenartsen. Als studenten bekijken we thema’s vanuit een ander perspectief. Door lezingen, symposia en een kwartaalmagazine zorgen we dat discussies op gang komen over onderwerpen die in de studie misschien onderbelicht blijven. In maart hebben we het symposium ‘Zoönosen zonder grenzen’ georganiseerd, waar veel beleidsmedewerkers en huis- en dierenartsen waren.’ Want er zijn veel thema’s die dieren- en huisartsen gezamenlijk kunnen aanpakken.

Protocol Regionale Samenwerking Zoönosen en Voedselinfecties

Het Protocol Regionale Samenwerking Zoönosen en Voedselinfecties beschrijft de samenwerking tussen:

RIVM (Centrum Infectieziektebestrijding CIb) – Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS): coördineert de dagelijkse bestrijding en zorgt voor de richtlijnen en draaiboeken. Bij regio-overstijgende of landelijke uitbraken en ernstige dreigingen voert het RIVM de regie van de bestrijding.

GGD – Gemeenschappelijke GezondheidsDienst: verantwoordelijk voor de decentrale bestrijding van infectieziekten bij mensen. Het Centrum Infectieziektenbestrijding heeft zeven GGD-artsen infectieziektebestrijding als regionaal arts consulenten (RAC’ers) aangesteld, die twee dagen per week bij het RIVM werken.

NVWA – Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, onderdeel van ministerie van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie (EL&I): verantwoordelijk voor de centrale uitvoering van dierziektebestrijding bij landelijke uitbraken van bestrijdingsplichtige dierziekten (zoals varkenspest en H5N1).
Voor GGD’en is bij uitbraken van zoönosen en voedselinfecties de NVWA een belangrijke partner, omdat zij de bron opsporen en bij meldingsplichtige dierziekten maatregelen treffen (en bij niet-meldingsplichtige maatregelen adviseren). Vanaf 2012 zijn bij de NVWA als evenknie van de RAC’ers ook vier regionaal veterinair consulenten (RVC’ers) aangesteld, die in de regio voor afstemming zorgen en de GGD adviseren.

GD – Gezondheidsdienst voor Dieren: voert diagnostiek, onderzoek en surveillance uit voor onder meer veehouders, dierenartsen en ministerie van EL&I. De GD heeft veel kennis over zoönosen, informeert en geeft advies. Een dierenarts of veehouder kan een ziekte vrijwillig melden bij de GD en ook laten onderzoeken.

 

beeld: Getty Images
beeld: Getty Images
beeld: Thinkstock
Klik hier voor een PDF van dit artikel
print dit artikel
Q-koorts koorts dieren
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.