Alles voor jou als geneeskundestudent

Inloggen
naar overzicht

Wat te doen voor de vervolgopleiding?

Plaats een reactie

Gedurende de hele geneeskundeopleiding vliegen ze studenten om de oren: tips, trucs, goedbedoelde adviezen en vooral spookverhalen. Het onderwerp? De toelating tot de vervolgopleiding. Wat pikken studenten op uit die overvloed aan informatie en wat vinden zij een must voor hun cv? En misschien wel net zo belangrijk: hoe kijken de opleiders daartegenaan?

Ieder jaar verstuurt het KNMG Studentenplatform zijn studentleden een digitale enquête. De enquête van 2009, die door 4000 geneeskundestudenten werd ingevuld, draaide om de vraag wat volgens studenten belangrijk is om in opleiding te komen. En of ze al stappen hebben gezet om hun curriculum vitae te verbeteren.

Wat vindt de student (tabel 1)

De meeste studenten zijn van mening dat motivatie en sociale vaardigheden belangrijk zijn om voor een vervolgopleiding geselecteerd te worden.

Er is een zeker verschil te zien tussen studenten die aan het begin van hun opleiding staan en de coassistenten in jaar vijf en zes. Meer dan de helft van de vijfde- en zesdejaars verwacht namelijk dat een anios-plek  en onderzoekservaring belangrijk zijn voor het bemachtigen van een opleidingsplek, tegenover een kwart van de eerste- en tweedejaars. Hogere cijfers worden daarentegen door meer beginnende geneeskundestudenten als belangrijk beschouwd.

De studenten hebben niet alleen een mening over wat belangrijk is, ze handelen er ook naar. Van de vijfde- en zesdejaars zegt 90 procent al activiteiten te hebben ondernomen om hun kansen te vergroten om in opleiding te komen. Bij vijfde- en zesdejaarsstudenten zien we dat de top 3 aangevoerd wordt door onderzoek in het betreffende vakgebied (47%) gevolgd door ervaring in het buitenland en het behalen van goede cijfers. Van deze groep heeft 9 procent al gesolliciteerd voor een anios-plaats en heeft 36 procent een semi-artsstage of senior coschap in het vakgebied geregeld.

De opleiders (tabel 2)

Het is zeker net zo belangrijk om de ándere kant in kaart te brengen. Daarom werd in dezelfde periode per e-mail een enquête verstuurd naar 812 bij de KNMG geregistreerde opleiders van verschillende specialisaties. In totaal stuurden 413 opleiders (51%) de enquête terug.  Van hen vindt 94 procent het sollicitatiegesprek belangrijk tot zeer belangrijk, gevolgd door de kwaliteit van de sollicitatiebrief (79,3%), wetenschappelijke publicaties (76,8%) en een goede referentie (70,1%). Ook klinische ervaring als anios of een extra coschap wordt door meer dan de helft van de specialisten als waardevol beschouwd (resp. 68,2 en 65,0%).

Extracurriculaire activiteiten zoals bijbaan, bestuurswerk, vrijwilligerswerk en topsport werden door ongeveer twee derde van de specialisten als minder belangrijk aangeduid.

In de open antwoorden kwam vaak naar voren dat enthousiasme voor het vakgebied erg gewaardeerd werd. Daarnaast werd motivatie voor de ondernomen activiteiten, een consistent cv en vaardig zijn in timemanagement regelmatig genoemd.

Eens
Zitten studenten en opleiders op één lijn? Zo op het eerste gezicht lijkt dit zeker het geval. Bij opleiders staat namelijk het sollicitatiegesprek met stip op één. Want, zoals een van hen het formuleert, ‘op papier is het altijd mooi’. Logischerwijs is het gesprek ook voor de student een goed moment om de vaak genoemde motivatie te laten zien.  Ook over wetenschappelijke publicaties en klinische ervaring zijn beide partijen het met elkaar eens. Beide aspecten worden door een meerderheid van opleiders aangeduid als belangrijk. Bij de student zie je dit terug in het feit dat bij ouderejaars onderzoek doen op de eerste plaats staat van de top 3 ondernomen acties om in opleiding te komen. Daarnaast heeft al ruim een derde een keuzecoschap binnen het vakgebied van interesse geregeld.

Kanttekeningen
Studenten weten blijkbaar goed waar opleiders op zitten te wachten. Toch kunnen er ook nog wel wat kanttekeningen bij deze conclusie worden geplaatst. Een vraag die niet te beantwoorden is, is bijvoorbeeld hoe mensen het begrip ‘motivatie’ opvatten. Dit zal zowel per student als per opleider sterk verschillen. En waarom wordt een wetenschappelijke stage in dat vakgebied nou zo gewaardeerd?

Omdat je dan de juiste mensen leert kennen, omdat je in de materie bent gedoken of omdat je misschien al wat hebt gepubliceerd en dichter bij een promotie bent? Maar misschien doe je de stage wel in het buitenland en heb je nauwelijks contact met je toekomstige opleider, of is je onderwerp zo specifiek dat het bijna niks meer met de praktijk te maken heeft. Het moge duidelijk zijn dat iedereen persoonlijke voorkeuren heeft  en er dus niet één enkel ‘succesprofiel’ te maken valt waar de student gegarandeerd mee slaagt. Gelukkig maar, want een te strak keurslijf zou de diversiteit binnen de (toekomstige) beroepsgroep teniet doen.

Dus voor studenten blijft het advies vooral dat te doen waar je veel plezier aan beleeft. Daarnaast hopen we dat opleiders open blijven staan voor alle verschillende kwaliteiten die een student in huis heeft.

Ilse Kleine Schaars, Eveline Langereis en Ingrid van Rijsingen

tabel 1
tabel 1
Tabel 2
Tabel 2
print dit artikel
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 
Akkoord Cookievoorkeuren aanpassen

Medisch Contact gebruikt cookies en scripts om uw gebruik van onze website geanonimiseerd te analyseren, zodat we functionaliteit en effectiviteit kunnen aanpassen en op uw profiel afgestemde advertenties kunnen tonen. Ook gebruiken we cookies en scripts om integratie met social media (Twitter, Facebook, LinkedIn, etc.) mogelijk te maken. Meer informatie vindt u in onze cookieverklaring en in onze Privacyverklaring