Inloggen
Laatste nieuws
H. Maassen
5 minuten leestijd

Witte Jassen en Bruinhemden

2 reacties

Op 3 mei verschijnt Witte Jassen en Bruinhemden, een boek over het leven van artsen tijdens de Tweede Wereldoorlog, geschreven en geproduceerd door de redactie van Medisch Contact.
Het boek is voor een belangrijk deel gebaseerd op verhalen van ooggetuigen, artsen die als student of beginnend arts de bezettingsjaren hebben meegemaakt. Daarnaast is het nodige speurwerk verricht om hun ervaringen in de juiste context te zetten.

In ieder hoofdstuk komt een thema aan bod, van de ziektes waarmee artsen in die jaren werden geconfronteerd tot de ervaringen van dokters die wél met de Duitsers heulden, en van de medische hulp aan onderduikers tot de ellende waarmee Joodse artsen zich geconfronteerd zagen. Uit dat laatste hoofdstuk staat op deze pagina’s – bij wijze van voorpublicatie – een ijzingwekkend fragment.

Overzicht van boekhandels waar Witte jaasen en bruinhemden te koop is

Max Hamburger (1920) moest abrupt zijn studie beëindigen. Want de Duitse bezetter ontzegde vanaf september 1942 Joden de toegang tot de collegezalen. Voor de toen 22-jarige geneeskundestudent zou dit het begin zijn van een jarenlange aaneenschakeling van zware ontberingen en mensonterende bejegening.

Al snel kwam Hamburger in verzet. ‘Ik ging als coassistent werken voor het Nederlands-Israëlietisch Ziekenhuis in Amsterdam. Daar ontdekte ik in de ziekenhuisapotheek een middel dat bij toediening in de bloedbaan een enorme koortspiek veroorzaakte. Dat bracht me op een idee: als ik mensen die gekeurd moesten worden voor de werkkampen nu eens dat middel gaf. Zo leek het alsof ze bijvoorbeeld tyfus hadden. Daarmee waren ze ongeschikt en kon ik ze laten onderduiken.’

Toen hij later de opdracht kreeg om te assisteren bij sterilisaties van Joden in het Portugeesch-Israëlietisch Ziekenhuis in Amsterdam, weigerde hij. ‘Dat vond ik collaboratie. In een ruimte achter het ziekenhuis verschool ik me, en via de nooduitgang kwam ik terecht bij de portier van het tegenoverliggende gebouw. Ik kon onderduiken bij familie van hem aan de Prinsengracht.’ Daar, bij de bekende verzetsstrijdster en advocate Lau Mazirel, hielp Hamburger bij het vervalsen van persoonsbewijzen. Maar hij werd verraden en, vlak voor de kerstdagen van 1943, afgevoerd naar de strafbarak van kamp Westerbork. Dat hij kort daarop in een andere barak terechtkwam bleek een groot geluk: ‘De strafbarak had ik niet overleefd. De mensen die daar zaten zijn allemaal in de trein gezet en vergast.’

Maar op 8 februari 1944 ging ook Hamburger op transport, naar Auschwitz. Onderweg in de treinwagon moesten hij en zijn medegevangenen het doen met een enkel stukje brood, een vat met water, en een paar tonnen die dienden als sanitair. Twee dagen lang. ‘Op 10 februari kwamen we aan: de dag van mijn 24ste verjaardag.’ Meteen werden artsen en verpleegkundigen apart gezet. ‘Daar ben ik ook maar bij gaan staan. De rest, meer dan duizend mensen, ging naar de gaskamers.

Na een paar weken werd ik bij de SS-kamparts geroepen. Hij vond mij te jong om arts te zijn en ik moest met de commando’s mee. Het was me duidelijk dat ik dan nog hoogstens drie maanden te leven zou hebben. Een Poolse verzetsstrijder uit mijn barak hoorde het verhaal en adviseerde me om als “gevangenen-kamparts” opnieuw examen aan te vragen. Als ik dat haalde, werd ik vast weer geregistreerd als arts. En hij had gelijk. Ik vroeg examen aan en intussen schoolden andere artsen me bij. Onder andere legden ze mij het verschil uit tussen carcinoom en sarcoom (twee verschillende soorten tumoren, red.). Laten ze dat nou uitgerekend vragen! Zo werd ik weer geregistreerd als arts.’

Begin mei had Hamburger koorts. Een keuring zou hij niet doorstaan, en afgekeurd worden betekende dat hij ten dode was opgeschreven. Hij kreeg goede raad van de arts Sally de Jong (de tweelingbroer van de latere historicus Lou de Jong). Die zei: “Ga maar naar het toilet. Als ze klaar zijn met de keuring, geef ik je een seintje.” Ik werd niet gekeurd en zo automatisch goedgekeurd.’ Sally de Jong zou zelf niet terugkeren uit de kampen.

Via het werkkamp Gross Rosen in Silezië kwam Hamburger in het kamp Thannhausen in Zuid-Duitsland terecht. ‘Daar ben ik geïnstalleerd als eerste-hulparts bij een commando. Ik moest in een klein huisje zitten en de kachel stoken voor mensen die buiten werkten. Voor het eerst heb ik daar ook goede Duitsers ontmoet. Mannen die af en toe wat te eten voor ons meenamen. Iemand die tegen me zei: “Hoe we ooit na de oorlog ons gezicht in de wereld weer kunnen laten zien, zou ik bij God niet weten.” Dat zijn ervaringen geweest die maakten dat ik ook na de oorlog nog contacten met goede Duitsers heb gekregen.’

In februari ’45, toen de Russen naderbij kwamen, werd Hamburger naar een volgend kamp overgebracht: Flossenburg, bij de grens tussen Tsjechië en Beieren. ‘Dat was een berucht kamp. De hele dag stonden we buiten in de winterse kou op appèl en kregen bijna niets te eten. De mensen die moesten werken waren schietschijven voor militairen, die zo oefenden in schieten op afstand.

Ik wist me aan het appèl te onttrekken, door te suggereren dat ik kon helpen met schoonmaken. Als ik klaar was, ging ik op bed liggen en droomde over eten.’

Tegen het einde van de oorlog, in maart en april ’45, bevond Hamburger zich in een tentenkamp in Thüringen. ‘Daar moesten we gangen graven in de bergen, want de Duitsers wilden daar bomvrije fabrieken voor V1- en V2-raketten maken. Toen het Amerikaanse leger van generaal Patton oprukte, werd het kamp ontruimd en moesten we naar Buchenwald: 80 kilometer lopen. Mensen die niet meer mee konden, werden afgeschoten. Dat zag je voor je gebeuren. Het is een godswonder dat ik die tocht volbracht heb.’

Buchenwald betekende bijna zijn einde. ‘Eind april kwamen we daar aan. Maar al snel moest ook dat kamp worden ontruimd en werden we naar de appèlplaats gedirigeerd. Ik was zo uitgeput en verzwakt, dat ik voor de barak op de grond bleef liggen. Een gewapende SS’er kwam langs en gaf me een schop. Ik draaide mijn hoofd om en bleef gewoon liggen. “Ach, Scheisse!”, riep hij, en liep weg. Hij had me zo kunnen doodschieten.’

Het kamp werd bevrijd en op 15 mei keerde Hamburger terug naar Nederland. ‘Ik bleek twee grote holten in mijn longen te hebben, ernstige bloedarmoede en een gewicht van 28 kilo.’ Nog vijf jaar bracht hij door in ziekenhuizen en een sanatorium. Pas in 1950 deed hij zijn doctoraal. Hamburger werd psychiater, gespecialiseerd in het behandelen van oorlogstrauma’s.

Henk Maassen

Correspondentieadres: redactie@medischcontact.nl

Witte Jassen en Bruinhemden. Nederlandse artsen in de Tweede Wereldoorlog. Onder redactie van Joost Visser, Ben Crul, Ingrid Lutke Schipholt en Eva Nyst. Reality Bites Publishing bv in samenwerking met de redactie van Medisch Contact, 247 blz., 19,95 euro.

<strong>PDF van dit artikel</strong>
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.