Inloggen
Laatste nieuws
Achter het nieuws

Toekomst Zorgstandaard geboortezorg ongewis

3 reacties

Achter het nieuws

Het duurde twee jaar voor alle betrokken partijen een concepttekst voor de Zorgstandaard Integrale geboortezorg hadden opgesteld. De verloskundigen stemden deze alsnog en masse weg. Waarom, en hoe nu verder?

In 2010 verscheen het advies ‘Een goed begin’, van de stuurgroep die was ingesteld vanwege de relatief hoge perinatale sterfte in Nederland. Belangrijkste boodschap: alle zorgverleners die met de zwangere te maken hebben, moeten beter samenwerken. De betrokken partijen, zoals de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV) en de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), hebben daartoe het College Perinatale Zorg (CPZ) ingesteld. Dat moest van het ministerie een ‘integraal kwaliteitskader rondom geboortezorg’ opstellen. Dat wil zeggen: een document waarin staat wat goede zorg is voor zwangeren en hoe dat georganiseerd moet worden. Na twee jaar gesteggel lag er begin 2016 een consensustekst, die het CPZ ter autorisatie rondstuurde. Sommige verenigingen stemden in, waaronder de NVOG, andere wilden nog aanpassingen, zoals ziekenhuisvereniging NVZ, weer andere stemden tegen, zoals de kraamverzorgers én de verloskundigen van de KNOV.

Wat staat er in de Zorgstandaard Integrale geboortezorg?

Dat alle betrokken partijen, ook kinderartsen, jeugdgezondheidszorg en kraamzorg, goed met elkaar samenwerken. Dat het altijd moet draaien om de zorgvraag van de zwangere, dat zij één vast aanspreekpunt heeft. Dat vrouwen met lage gezondheidsvaardigheden meer aandacht verdienen. Dat het van belang is dat alle betrokkenen bij geboortezorg op beleidsniveau een gedeelde visie hebben.

En? Delen verloskundigen en gynaecologen een visie?

Grotendeels wel: met alles wat hierboven staat is men het eens. De twee beroepsgroepen werken al samen in verloskundige samenwerkingsverbanden (VSV’s). Meestal naar tevredenheid. Mieke Beentjes, vicevoorzitter KNOV: ‘We weten elkaar makkelijk te vinden, hebben laagdrempelig overleg, en werken op veel plekken aan een gezamenlijk dossier.’ Anneke Kwee, bestuurslid NVOG: ‘Wij kunnen iets bijdragen aan de zorg die verloskundigen leveren, en andersom. Zwangeren die volgens de verloskundige indicatielijst (VIL) een tweedelijnsindicatie hebben, bijvoorbeeld vanwege anti-epilepticagebruik, zien nu alleen maar de gynaecoloog, terwijl ze vaak een prima verlopende zwangerschap hebben. De verloskundige kan een positieve bijdrage leveren door met haar over de gewone zwangerschap en bevalling te spreken. Dat kan prima een eerstelijnsverloskundige zijn. Wij zijn erg voor zo’n shared care-model, waarbij iemand op het juiste moment, de juiste zorg krijg, op de juiste plek.’

Maar er is één hardnekkig meningsverschil tussen de verloskundigen en de gynaecologen, en dat draait om de risicoselectie: de inschatting of een zwangere tweedelijnszorg nodig heeft. Beentjes: ‘Dat is ons vak. Wij vinden niet dat de gynaecoloog moet meedenken bij elke individuele zwangere. Bij een gezonde zwangere met een ongecompliceerde zwangerschap leidt bemoeienis van de tweede lijn tot meer interventies die geen betere uitkomst opleveren.’ Kwee: ‘Een van de uitgangspunten van het stuurgroepadvies was “samen verantwoordelijk”. Wij vinden dat we vanaf het begin gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor die zwangere. Daar hoort een gezamenlijke risico-inschatting bij. Dat wil echt niet zeggen dat de gynaecoloog elke zwangere hoeft te zien. Per regio kan men zelf bepalen hoe dit in te vullen.’

Hoe staat het nu verwoord in de Zorgstandaard?

In de versie die begin 2016 ter autorisatie is rondgestuurd, wordt gesproken van regionale interprofessionele geboortezorgteams, waar ook alle andere zorg-verleners deel van uitmaken. Dat team is op regionaal niveau ‘gezamenlijk verantwoordelijk voor het beoordelen van zwangeren om de gezamenlijke risico-inschatting (…) te optimaliseren en in gezamenlijkheid de benodigde zorg af te spreken. De samenstelling en wijze waarop dit wordt georganiseerd hangt af van de regionale omstandigheden.’

Die tekst is gezamenlijk opgesteld, waarom is het alsnog een splijtzwam geworden?

Beentjes: ‘Het verhaal gaat langer terug. Vorig jaar zomer was er een concepttekst waar wij goed mee konden leven, daarin stond nog dat er zo nodig een gezamenlijke risico-inschatting kwam. Die tekst heeft de NVOG getorpedeerd.’ Kwee: ‘Voor ons was dat 180 graden anders dan wat er besproken was en in die eerste versie stond; namelijk dat we daar per definitie gezamenlijk verantwoordelijk voor willen zijn. Nou, toen hebben de besturen van beide verenigingen om de tafel gezeten, en is er een consensustekst uitgekomen die nu dus alsnog is weggestemd.’ Beentjes: ‘Die tekst was bewust vaag gehouden; we wilden aan de regio’s overlaten hoe ze dat verder zouden doen. Maar de NVOG liet in de werkgroep weten dat zij het wel zo opvatten dat alle zwangeren besproken zouden worden. Toen is onze achterban in opstand gekomen en is de tekst massaal weggestemd. Terwijl we het dus met het grootste deel gewoon eens zijn.’


Integrale bekostiging

Vanaf 2017 moeten geboortezorgorganisaties desgewenst integraal bekostigd kunnen worden. Het lijkt erop dat de minister dit vanaf 2018 verplicht wil stellen. Verloskundigenvereniging KNOV vindt dat veel te snel, en wil de uitkomst van pilots die nu lopen afwachten. Vicevoorzitter Mieke Beentjes: ‘We moeten het eerst eens zijn over de inhoud van de zorg, iets waar de verloskundige samenwerkingsverbanden (VSV’s) nu heel goed mee bezig zijn. Discussies over de centen en juridische constructies leiden daarvan af. Dat doet de samenwerking geen goed.’ Beentjes vreest de gevolgen van integrale bekostiging: ‘De neiging bestaat dat ziekenhuizen de hoofdaannemers worden, en dat er een verschuiving naar intramuraal optreedt. Zo verdwijnt zorg uit de wijk; dat staat haaks op wat we in Nederland willen.’ Kwee: ‘De angst voor verlies van autonomie, en de bedreiging van eerstelijnspraktijken, die snap ik, maar dat hoeft niet het gevolg te zijn van integrale bekostiging. Wij zien het vooral als een middel om tot integrale zorg te komen, om meer gebruik te gaan maken van elkaars expertise in plaats van over en weer naar elkaar te verwijzen. En hierin moet het belang van de zwangere vooropstaan.’


Jammer?

Kwee: ‘Een beetje teleurstellend ja.’ Beentjes: ‘Het College Perinatale Zorg heeft hier steken laten vallen. Wij zagen dit aankomen, we hebben aan het CPZ gevraagd om dit te keren en het CPZ heeft geen moeite gedaan om het proces vlot te trekken, de partijen te verbinden. Wij zien een voorstel dat de kern van ons vak onderuithaalt, zonder bewijs dat dat betere zorg oplevert, en krijgen te horen: verkoop het maar aan je achterban.’ De voorzitter van het CPZ, Chiel Bos, denkt er het zijne van: ‘Het KNOV-bestuur heeft in feite het advies gegeven om tegen te stemmen, dat is beneden alle peil. Dan hadden we net zo goed niet twee jaar lang kunnen steggelen over komma’s en woordjes. De KNOV wil gewoon niet veranderen, wil per se dat verloskundigen die risicoselectie alleen blijven doen. Nou, dat is nou net wat er niet goed ging de afgelopen twintig jaar, dat moet juist anders.’ Bos heeft zelf ook niet het idee dat de nee-stem de stemming goed weerspiegelt: ‘De meeste verloskundigen werken allang goed samen in de regio’s. Die begrijpen het probleem helemaal niet.’

Hoe nu verder?

Dat is de vraag. Bos: ‘Wij hebben de standaard naar het Zorginstituut gestuurd, met alle mitsen en maren erbij die we van de partijen kregen. Daar moet men maar wikken en wegen wat er moet gebeuren.’ Wat nu als het Zorginstituut zijn doorzettingsmacht gebruikt en de standaard aanneemt? Beentjes: ‘Het lijkt me niet handig om door te zetten zonder dat er consensus is.’ Kwee: ‘Laten we eerst maar afwachten wat het Kwaliteitsinstituut zegt, en dan bedenken hoe we uit deze impasse komen.’

Sophie Broersen

s.broersen@medischcontact.nl

@medischcontact


Lees ook: 

Zie ook:

Zorgstandaard ‘Integrale geboortezorg’ (11e concept)

NZA Advies integrale bekostiging

Rapport KPMG over integrale bekostiging

Beeld: GETTY IMAGES
Beeld: GETTY IMAGES
<b> Pdf van dit artikel </b>
Achter het nieuws
  • Sophie Broersen

    Journalist en arts Sophie Broersen schrijft over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieert zij tuchtzaken. Sinds eind 2020 werkt zij daarnaast als arts bij het team seksuele gezondheid van de GGD Hollands Midden.  

Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.