Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
Christa Carbo
20 juli 2004 8 minuten leestijd

Tijd voor een tegengeluid

Plaats een reactie

Vrouwen en emoties in de spreekkamer



Vrouwen zijn bezig de geneeskunde over te nemen. Verandert dat iets aan de manier waarop het vak wordt beoefend? Brengen vrouwen hun eigen, feminiene ‘bedside manners’ mee? Communicatief, inlevend, emotioneel? Misschien wel en dat is zo slecht nog niet, zeggen wetenschappers die het weten kunnen.

Pakweg honderddertig jaar nadat Aletta Jacobs eenzaam, maar vastberaden het mannenbolwerk slechtte, zijn de jongens aan de medische faculteiten in de minderheid. In de medische staven van ziekenhuizen veranderen de verhoudingen mee. In het Maasziekenhuis in Boxmeer, een van de snelst groeiende ziekenhuizen van Nederland, is het fiftyfifty. Van de vijftig medisch specialisten is precies de helft vrouw, de helft van hen is werkzaam in een snijdend vak.


‘Ontspannen, weinig hiërarchisch’, omschrijft gynaecoloog Barbara -Havenith van het Maasziekenhuis de werksfeer en de houding richting patiënten, ‘onder invloed van het hoge aantal vrouwelijke specialisten én van de tijdgeest. Jonge mannelijke artsen hebben ook een andere beroepshouding dan hun vaders.’ Ruimte laten voor emoties noemt Havenith een essentieel onderdeel van haar vak. ‘Vrouwen konden daar altijd al makkelijker mee omgaan dan mannen.’


‘God geve het’, verzucht prof. dr. Rudi van den Hoofdakker, emeritus hoogleraar biologische psychiatrie, op de vraag of de vervrouwelijking van de geneeskunde zal leiden tot een herwaardering van de emotie in de spreekkamer. Van den Hoofdakker - ook bekend onder zijn dichtersnaam Rutger Kopland - vocht een loopbaan lang voor de erkenning van de ‘zachte’ krachten in de geneeskunde. ‘Men hoeft geen wereldvreemde holist te zijn om toe te geven dat voor de analyse van een medisch probleem een stethoscoop, een bloedmonster en een scan vrijwel nooit voldoende zijn. Er is zoiets als een gesprek nodig.’

Emoties


Een dokter kan zijn werk pas goed doen als hij zich serieus afvraagt wat er in zijn patiënt omgaat, zei Van den Hoofdakker in een lezing, die later in druk verscheen onder de titel ‘Empathie’. Zich inleven in de patiënt is geen overbodige franje, maar een gecompliceerde en in essentie wetenschappelijke activiteit, aldus de spreker: ‘Het gaat niet om aardig voor een ander zijn of sympathiseren met een ander, het gaat erom kennis te verwerven over een ander.’


‘Emoties worden in de geneeskunde te vaak als iets onhanteerbaars, zelfs als iets ongewensts beschouwd’, licht Van den Hoofdakker desgevraagd toe. ‘Men heeft de neiging te denken dat wie emotioneel betrokken is niet wetenschappelijk bezig kan zijn, maar die twee sluiten elkaar helemaal niet uit. Integendeel: om effectief medisch te kunnen handelen heb je kennis én emotie nodig.’ Dit geldt, stelt de psychiater met nadruk, voor alle dokters en niet alleen voor de dokters van de ziel. Het geldt zelfs voor iedereen die met patiënten bezig is. Een voorbeeld uit eigen ondervinding: ‘Ik moest eens kort na elkaar twee keer naar het ziekenhuis met hartklachten. Toen ik na veertien dagen terugkwam op de afdeling Hartbewaking begroette een verpleegkundige me met de opmerking: “Ah, daar bent u weer, u hoef ik niets meer uit te leggen, hè?” Een andere verpleegkundige kwam naar me toe en zei: “Ach, bent u daar nou alweer?” Ze liet merken dat ze begreep hoe ik me voelde. Dat vond ik heel roerend.’ De ervaring van je begrepen voelen is niet alleen prettig, ze is van wezenlijke invloed op je vermogen tot herstel, aldus Van den Hoofdakker.


Prof. dr. Jozien Bensing, hoogleraar gezondheidspsychologie in Utrecht, directeur van het onderzoeksinstituut NIVEL en deskundige op het gebied van arts-patiëntcommunicatie haalt, gevraagd naar het belang van empathie in de geneeskunde, de Amerikaanse internist en psychiater George Engel aan, de bedenker van het begrip ‘biopsycho-sociale geneeskunde’. ‘De patiënt heeft een dubbele behoefte’, vat zij Engel samen, ‘de behoefte om te weten en te begrijpen, en de behoefte om zich gekend en begrepen te voelen.’


Dokters moeten zich veel meer met de succesfactor empathie bezighouden, meent Van den Hoofdakker, en ze zouden moeten ophouden hem te negeren of verdacht te vinden.


Misschien zijn vrouwen door de bank genomen iets beter toegerust om dat te doen dan mannen. Er zijn aanwijzingen dat zij hun werk wat anders benaderen dan hun mannelijke collega’s, opnieuw: gemiddeld gesproken. Uit recent onderzoek van het NIVEL blijkt bijvoorbeeld dat de verschillen in communicatie tussen mannelijke en vrouwelijke huisartsen niet groot zijn, maar ze zijn er wel en ze zijn op dit punt veelzeggend. Vrouwen hebben iets meer oogcontact met hun patiënten, ze tonen iets meer genegenheid en spreken vaker met hun patiënten over niet-medische zaken en over de psychosociale aspecten van de klacht. Onderzoek in Amerikaanse poliklinieken wees uit dat vrouwen hun patiënten wat meer tijd geven dan mannen.

Verschillen


In Nederland vond dr. Yvonne Winants, huisarts en universitair docent genderstudies bij de vakgroep huisartsgeneeskunde van de Universiteit Maastricht ,interessante verschillen tussen vrouwelijke en mannelijke co-assistenten in haar onderzoek naar de inwijding van jonge artsen in de medische beroepscultuur. Zowel mannen als vrouwen ontwikkelen tijdens de medische beroepsopleiding hun professionele identiteit, maar vrouwen raken onderweg ook iets kwijt.


Zij verliezen een deel van hun aanvankelijke waardering voor meer feminiene eigenschappen zoals toegankelijkheid, goed luisteren en vriendelijkheid. Ze lijken zich aan te passen aan de ‘mannelijke’ norm van daadkracht en individualisme en ontlenen mede daaraan hun professionele zelfvertrouwen. Er blijven echter - gemiddeld - wel verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke artsen bestaan. Zo identificeerden de vrouwen in Winants’ onderzoek zich gedurende hun co-schappen blijvend met zowel collega’s als patiënten, terwijl de mannen zich in de loop van hun opleiding meer met hun collega’s gingen identificeren en minder met hun patiënten.


Een en ander neemt niet weg dat in de geneeskunde van vandaag de wind vooral waait uit de technische, ‘strikt medische’ hoek. Winants: ‘Onze geneeskunde zet sterk in op protocollen en op epidemiologisch en natuurwetenschappelijk bewijs. Voor de meer menselijke en communicatieve kant van het vak is minder waardering.’ Hiermee is niets gezegd ten nadele van protocollen. ‘Niemand is tegen wetenschappelijke verantwoording,’ verklaart Winants. ‘Maar deze vorm van onzekerheidsvermijding is te dominant geworden. Natuurlijk spelen emoties een rol bij de zorg voor zieke mensen. Alleen al de erkenning van de emotionele impact van ziekte, lijden en sterven is enorm belangrijk voor de kwaliteit van de zorg.’ Met hun culturele bagage, hun relationele vaardigheden, hebben vrouwen op dit terrein iets te bieden. ‘Helaas dreigt de toename van het menselijk kapitaal in de geneeskunde door een evenwichtiger samenstelling van de beroepsgroep, weer teniet te gaan door de verzakelijking van het vak. Het is nodig een tegengeluid te laten horen,’ vindt Winants.

Kloof


Ook Jozien Bensing constateert dat het artsenvak is verzakelijkt. Het NIVEL doet veel onderzoek naar de werkwijze van huisartsen. Zij zijn zich de laatste vijftien jaar door de invoering van standaarden en richtlijnen veel meer op de cognitieve, instrumentele kant van hun vak gaan toeleggen. Bensing: ‘De medische kwaliteit is er beslist door toegenomen, maar deze ontwikkeling heeft een schaduwkant. Er is minder ruimte gekomen voor aandacht, begrip en steun op het psychosociale vlak. De kloof tussen wat de patiënt vraagt en wat de dokter biedt, dreigt groter te worden. De dokter is nu misschien te ver doorgeslagen naar de biomedische kant van de geneeskunde. Het is tijd weer wat meer naar de gevoelskant te kijken.’


Of dat laatste vanzelf zal gaan nu vrouwen hun kwantitatieve achterstand in de geneeskunde inhalen, is volgens Bensing geen uitgemaakte zaak. De toename van het aantal vrouwelijke dokters is immers al langer aan de gang en tot nu toe heeft dit niet geleid tot meer ruimte voor emoties. Integendeel, zowel mannen als vrouwen zijn zakelijker en meer gestructureerd gaan werken.


Bensing: ‘De opkomst van vrouwen alleen hoeft geen doorslaggevende factor te zijn. De werkelijkheid is ingewikkelder. Toch zie ik wel redenen waarom de pendulum tussen strikt evidence-based enerzijds en affectief anderzijds waarschijnlijk weer wat zal terugbewegen naar de affectieve kant. In de eerste plaats hecht de patiënt sterk aan een humane en respectvolle behandeling en wat de patiënt vindt, is belangrijk voor het kwaliteitsbegrip in de zorg. In de tweede plaats zijn er ook binnen de huisartsgeneeskunde mensen die vrezen dat de essentie van hun vak verloren dreigt te gaan door een te eenzijdige beroepsopvatting.’


Dr. Irene Hellemans, cardioloog en voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Vrouwelijke Artsen, ziet ook in haar specialisme veel aandacht voor acute ingrepen, voor technologie en voor de heroïek van het vak. ‘Wat afkalft, is de zorg. Ik maak me daar grote zorgen over. Nazorg en preventie zijn voor mijn patiënten ten minste zo belangrijk, maar dokters die hiermee bezig zijn, moeten een gevecht leveren tegen het heersende productiedenken. Voor een deel gaat het om rust nemen voor je patiënt, ruimte maken voor hoe mensen zich voelen. Dat is de kunst in de geneeskunde, maar helaas is dat moeilijk meetbaar en er staat geen tarief voor. Toch is het net zo essentieel als de technologie. Beide kanten hebben elkaar nodig. We moeten van de zorg geen fabrieksstraat met alleen technische handelingen maken.’

Doorstroming


Vrouwen zijn volgens Hellemans niet alleen vaak sterk in de communicatie met de patiënt, zij zijn ook belangrijk voor de samenwerking tussen verschillende vakgebieden en disciplines. ‘Zij zullen eerder proberen verbindingen te leggen, zijn minder uit op het opbouwen van een eigen machtsbolwerk.’ De aanstormende vrouwelijke dokter kan in de huidige, nog altijd masculiene beroepscultuur echter pas verschil maken als ze doorstroomt naar de top. Dat gebeurt nog veel te weinig, aldus Hellemans. ‘Vrouwen zijn minder ambitieus, ze schatten zichzelf lager in dan mannen, denken langer na over de aanvaarding van een nieuwe functie. Daar moet je rekening mee houden als je vrouwelijk talent wilt behouden en benutten. Samen met de KNMG en de Orde van Medisch Specialisten kijken wij nu of we met dit doel een systeem van coaching kunnen opzetten.’


Yvonne Winants onderschrijft Hellemans’ betoog: ‘Tot een werkelijke omslag is het nog niet gekomen. Daarvoor moeten er meer vrouwelijke opleiders komen en moeten vrouwen meer doorstromen naar hogere functies. De wetenschap is vooral gebouwd op competitie en de meeste vrouwen zitten niet zo competitief in elkaar. Daar zou je bij het zoeken naar goede mensen rekening mee moeten houden, maar in de medische gremia hoor je dat nog weinig. We zouden eens moeten nadenken: moet je bijvoorbeeld om een goede chirurg te zijn werkelijk zestig uur in de week werken? Er is een zekere integriteit voor nodig om zo’n vraag in alle openheid te beantwoorden.’

Heelkunde


Of het nu aan de lange werkweken ligt of niet, nog altijd zijn bijna alle chirurgen mannen. Nog net. Van de werkzame heelkundigen is slechts 5 procent vrouw, maar een blik op de statistieken leert dat dit snel verandert. Al 30 procent van de chriurgen in opleiding is vrouw.


Chirurg dr. Ella de Jong onderzocht samen met haar collega Mimi Mulder de geschiedenis en de beroepsopvattingen van vrouwelijke chirurgen in Nederland. Gevraagd naar de rol van de emotie in haar specialisme, stelt De Jong dat deze net als in andere medische specialismen aanzienlijk is, zeker ook in het contact met patiënten. ‘Mensen denken vaak dat wij snijders zijn die klaarstaan met het mes, waar dan even een patiënt onderdoor wordt geschoven, maar dat is onzin. Ook wij hebben een band met onze patiënten. Ruimte maken voor de beleving van de patiënt, hoort gewoon bij je beroepshouding. Het hoeft geen zeeën van tijd te kosten, dat verwacht de patiënt ook helemaal niet van je. Hij is al blij als hij weet dat ook dat belevings-aspect voor jou als chirurg duidelijk is.’ De Jong aarzelt bij de vraag of vrouwen daar beter in zijn. ‘Misschien, maar er zijn uitzonderingen naar beide kanten.’

Christa Carbo,
journalist


De tekst van de lezing ‘Empathie’ staat in de bundel ‘Twee ambachten’ door Rutger Kopland/R.H. van den Hoofdakker, uitgeverij Van Oorschot 2003. ‘Co-assistent-schappen als inwijding in de medische beroepscultuur’ van Yvonne Winants is verschenen bij uitgeverij Thela Thesis (1999). ‘Vrouwen in de heelkunde’ door Mimi -Mulder en Ella de Jong is een uitgave van Belvèdére/Medidact (2002).

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.