Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
Ingrid Lutke Schipholt
20 juli 2004 10 minuten leestijd

Professioneel omgaan met emoties

Plaats een reactie

Illustratie: Whitney Sherman

Patiënten kunnen bij artsen allerlei emoties oproepen. Boosheid, ergernis en blijdschap, bijvoorbeeld. Wat is een adequate reactie? Tonen of verbergen? Een dilemma dat met een grote dosis gezond verstand moet worden aangepakt. 


Een doodzieke jonge vrouw is op het spreekuur. Ondanks het feit dat ze een kind zal achterlaten, vraagt ze met pijn in haar hart of de dokter een eind kan maken aan haar leven. ‘Tja’, antwoordt de arts die ongeveer net zo oud is als de patiënte, ‘ik heb wel veel moeite met deze situatie, want ik heb thuis ook een kind.’ De patiënte voelt zich onbegrepen en wenst geen verder behandelding meer van deze dokter. De arts ging over een grens. Zij zat niet te wachten op de problemen van haar dokter, terwijl hij juist zijn moeite met de toestand wilde blootleggen.

Beroepshouding


Balanceren tussen distantie en nabijheid is een delicate kwestie waar veel artsen dagelijks mee te maken hebben. Psychologe Susanne Piët deed onderzoek naar de functie van emoties en het hanteren ervan in werksituaties. Volgens Piët fungeert de beroepshouding van artsen als bescherming voor de relatie en voor de partners in deze relatie. ‘Je kunt het zien als een formalisering’, licht Piët telefonisch toe vanuit Frankrijk waar ze onder andere trainingen emotiemanagement geeft. ‘In het artsenvak is er logischerwijs vaak sprake van veel meer intimiteit dan gewoon is tussen mensen die relatief zo onbekend voor elkaar zijn. De patiënt moet de dokter toelaten voorbij grenzen die hij normaal toelaatbaar acht. De dokter kan zijn eigen houding ten opzichte van de ander - de patiënt - ook als een probleem ervaren omdat hij in feite ook iets doet dat tegen zijn eigen natuur indruist. Dat betekent dat hij als het ware een compensatie moet zoeken voor zijn gedrag. Het is niet ongebruikelijk dat een arts de neiging krijgt de ander te objectiveren en te ontdoen van de kanten die hem herkenbaar maken als soortgenoot. Ter bescherming van zichzelf.’


Maar de patiënt laat zich tegenwoordig niet meer zo makkelijk objectiveren. De toegenomen kennis en mondigheid van de patiënt slaat een bres in de verhouding tussen dokter en patiënt. Het automatisme van de hiërarchie is om zeep geholpen en verantwoordelijkheden worden anders toebedeeld. Dit is ook van invloed op het emotionele spel tussen arts en patiënt. Piët haalt een onderzoek aan dat haar studenten deden naar de mondigheid van tandartspatiënten.


‘Hoe meer informatie de patiënten hadden, hoe meer verantwoordelijkheden zij namen. Dat maakt emotioneel gezien de balans in de verhouding tussen dokter en patiënt ingewikkelder dan die al was. Voor een arts is het van belang te weten wie de verantwoordelijkheid draagt omdat dat samenhangt met rechten en plichten. Dit kan tot conflicten leiden. Sommige artsen kunnen enorm geïrriteerd raken als patiënten iets zinnigs zeggen over de diagnostiek. Alsof de arts dan zelf iets verliest. De patiënt zelf is ook heel angstig om vertrouwen uit handen te geven. Daarom is de code, de beroepshouding, nodig. Ter bescherming van beiden.’

Tot tien tellen


Huisarts Joke Schulkes-van de Pol heeft de tijd nog meegemaakt dat mondigheid en kennis van patiënten nog geen hoogtij vierden zoals nu. Zij begon haar loopbaan als huisarts in 1975. Een tijd waarin elke arts zich nog zonder speciale huisartsenopleiding kon vestigen als huisarts. Emoties in het vak waren geen onderdeel van haar geneeskundeopleiding. In de praktijk liet zij zich niet leiden door emoties, op een enkele keer na. ‘Er zijn wel mensen die mij boos maken’, zegt Schulkes in haar gemoedelijke praktijkruimte in Amsterdam waar ze al haar hele huisartsenloopbaan praktiseert. ‘In mijn beginperiode heb ik iemand eens onomwonden de deur gewezen. Ik was flink kwaad. Het ging om een patiënt met een ingewikkelde problematiek waar ik behoorlijk wat energie in had gestoken. Maar ik merkte dat hij steeds meer eiste en mij ondertussen bleef wantrouwen. Toen was de maat vol. Dit soort patiënten wekt nog steeds een soort wrevel op die ik niet helemaal kan onderdrukken.’


Ook huisarts in opleiding Dana Acherman, arts sinds 2000, herkent de emoties die ‘energiezuigende’ patiënten oproepen. ‘Ik vind het soms best lastig’, verzucht Acherman. Ze werkt nu zes maanden in de psychiatrie. ‘Sommige patiënten wekken agressie op, sommige anderen empathie. Ik ben constant op mijn hoede en vraag me af of mijn gevoelens door de patiënt komen of door mijn eigen gemoedstoestand. Als patiënten irritaties bij me opwekken, moet ik alert zijn. Goed tot me laten doordringen dat de patiënt die irritatie veroorzaakt en dat ik daar dus niet emotioneel op moet reageren. Als je eenmaal hebt ervaren hoe het werkt en als je jezelf beter als dokter leert kennen, kun je daar adequater op inspelen.


Een patiënt die mij irriteert, geef ik de standaard empathische zinnetjes, maar daar zit weinig gevoel achter. Dat gebeurt bij borderliners die aan je zuigen en die alles van je willen. Eerst vinden ze je geweldig en als je dan iets zegt wat ze niet willen horen, ben je een vreselijk mens. Je hebt het eerst niet door, maar ze spelen met je emoties. Die mensen moet je strak aan het lijntje houden. Het is echt teleurstellend als je niet op één lijn kunt komen met een patiënt. Heel soms is er een patiënt die mij dusdanig frustreert dat ik even de spreekkamer uit loop, naar de secretaresse. Even ademhalen, tot tien tellen en dan weer terug alsof er niks aan de hand is.’

Tijdelijke functie


Acherman leerde de basisprincipes van professioneel handelen in relatie tot emoties in de huisartsenopleiding. Het echte hanteren leert zij vooral in de praktijk. Volgens Susanne Piët is emotiemanagement te leren. ‘Populair gezegd hebben de menselijke hersenen een regiecentrum dat waarnemingen - in fracties van seconden - beoordeelt en een inschatting voor de langere termijn maakt. Het regiecentrum koppelt dit terug naar een systeem voor emotiemanagement dat bestaat uit grofweg drie elementen: voelen, denken, doen. En dat systeem besluit wat je met de waarneming doet. Bijvoorbeeld emoties onverwijld uiten of vervangen door een meer adequate reactie.’


Artsen krijgen te maken met vreugde, verdriet of boosheid. Het is van belang deze emoties niet in volle overgave te tonen. Dat zit de meeste artsen ook in het bloed. ‘Ik heb nog nooit meegehuild met mensen’, zegt Schulkes. ‘Het komt wel eens voor dat iemand mij iets ingrijpends zegt waardoor ik van binnen volschiet, maar ik kan me zodanig beheersen dat ik gewoon verder kan. Het emotioneert mij op dat ene moment. Symbolisch maak ik de afstand even heel klein door bijvoorbeeld een hand vast te pakken, maar daarna is de emotie ook weg. In de loop van de tijd leer je er steeds adequater mee om te gaan. Neem nou de begeleiding bij een sterfbed. Je bent bijna onderdeel van de familie aan het worden, zo ziet deze dat ook. Dan volgt het overlijden, daar ben je soms ook bij aanwezig. Daarna is er de troost, de familie rouwt en soms leg ik dan mijn arm om een schouder. Als het kan, ga ik naar de begrafenis. Mijn stelregel daarbij is dat ik dat nooit doe onder spreekuurtijd. Als het lukt, ga ik in visitetijd. Maar na de eerste rouw moet je met de nabestaanden weer terug naar de gewone arts-patiëntrelatie. Daar zat voor mijn gevoel een ontwikkeling in. In het begin had ik er veel moeite mee om die omschakeling te bewerkstelligen. Ik wist niet precies hoe ik het moest loslaten. Ik besefte te weinig dat die intimiteit korte tijd een functie heeft en dat daarna het gewone weer terugkomt. Daar kun je het overigens wel met de familie over hebben.’


Schulkes gaat eens verzitten en laat ingrijpende voorvallen de revue passeren. Dan een glimlach. ‘Ja, ik had hier laatst een patiënt zitten en het was zo’n 25 jaar nadat zijn partner op een bijzondere manier overleed. Hij zei onverwacht: “Weet je het nog?” Ja, ik wist het nog goed, hij doelde op een bijzonder moment. De stervende kon namelijk fantastisch onder woorden brengen wat hij voelde. Dat was een prachtig afscheid, bijna als in een film. Zo’n overlijden is koninklijk. Dat heeft veel indruk op mij gemaakt. Dat de patiënt mij aan dit overlijden herinnerde, vond ik prima. Op dat moment heb je het erover en even later ga je over tot de orde van de dag. Want na elk sterfgeval moet een nabestaande zich vrij voelen om met zijn zere teen te komen zonder dat jij als arts op die emotionele gebeurtenis terugkomt. Het kan ook zijn dat hij er helemaal niet aan toe is om daarover te spreken en dat hij het alleen maar over zijn zere teen wil hebben.’

Onzeker
Haio Acherman herinnert zich nog levendig hoe zij haar emoties moest bedwingen toen zij de diagnose kanker moest stellen. Een gebeurtenis die ze ook niet snel zal vergeten. ‘Ik was niet onzeker over de diagnose, want daar leer je in de loop der jaren mee omgaan. Het betrof hier een jonge vrouw met een duidelijk verhaal waarbij ik baarmoederhalskanker vermoedde. Als huisarts is de enige diagnostiek op dat moment een vaginaal toucher. Ik voelde een hobbelige structuur en wist dat het foute boel was. Bij het verhaal had ik al een niet-pluisgevoel en onderzoek heeft dit bevestigd. Dan moet ik niet doen alsof ik niet schrik, want ik schrok. Ik geloof dat je na dertig of veertig jaar ervaring blijft schrikken. Dat mag je best aan je patiënt laten zien, maar je moet er geen drama van maken. Ik zei zoiets als “ik weet ook niet of het kanker is, maar het voelt niet goed aan, ik schrik er ook van”. Dat geeft  een goede basis om verder met de patiënt te gaan.’

Concentratie


Arts-assistent interne geneeskunde in een academisch ziekenhuis Johan Weenink zal niet zo snel zijn emoties tonen. ‘Ik ben niet het type dat iemand langdurig een arm om de schouders slaat’, legt Weenink uit. ‘Dat gaat me net een stap te ver. Aanwezig zijn is vaak al genoeg. Natuurlijk raken mijn ernstig zieke patiënten me, in het bijzonder als er persoonlijke raakvlakken zijn. Toch houd ik afstand omdat ik dat professioneler vind. Misschien is dat wel zelfbehoud.’


Hoever een arts kan gaan met het tonen van emoties blijft ingewikkeld. Volgens Acherman verschilt dat per geval. Mensenkennis is daarbij erg handig. ‘Je moet inschatten wat een patiënt wil horen en wat je zelf wilt delen. Een patiënt wil evenwicht en samen met jou beslissen, of hij delegeert de verantwoordelijkheid. Deze keuze van de patiënt heeft te maken met cultuur, opleiding, intelligentie en emoties. Het hangt er ook vanaf hoe goed je degene die voor je zit, kent. Dat is als beginneling wel eens lastig. Of ik een probleem mee naar huis neem, heeft ook te maken met hoe goed ik iemand ken of in hoeverre ik me identificeer met een patiënt.’

IJsfabriek


Volgens psycholoog Susanne Piët is concentratie op het moment zelf een vereiste, naast middelen als hardlopen en fietsen voor de afleiding. ‘Artsen moeten leren zich te focussen op het hier en nu. Want thuis zijn er net zo goed elementen die hun aandacht vragen. Dat moet je trainen. Vaak zijn mensen niet waar ze zijn. Ze zijn bevangen door hun angst voor verleden of toekomst zodat ze zich altijd zorgen maken. Het enige nadeel van bijvoorbeeld hardlopen is dat je in feite afleiding zoekt van de dingen waar je mee bezig bent.’


Ze maakt een vergelijking met een totaal andere beroepsgroep: managers van een ijsfabriek. Hun motto is ‘life is all about priorities’. Daardoor kunnen zij zich concentreren op het hier en nu. Piët legt uit dat ook deze managers zich enorm veel zorgen maken over hun werk. ‘In feite zijn de problemen van artsen niet zo heel veel anders’, betoogt Piët. ‘Je kunt je vreselijk druk maken over ijs. Dat geloven artsen vast niet, maar die managers nemen hun problemen, in dit geval over ijs, ook mee naar huis. Het gaat er om dat je je moet bedenken wat je prioriteiten zijn zodat je je wel kunt concentreren. Een arts lijkt koud als hij afstand kan nemen van een patiënt maar in feite functioneert hij daardoor beter voor die patiënt. Het concentreren op een patiënt betekent ‘hoofd koel, hart warm’ tot de patiënt is verdwenen. Artsen verschillen helemaal niet van advocaten of managers. Het punt is dat ze in hun houding onderscheid moeten maken tussen inhoud en relationele betrekkingen. In de relationele betrekking komt de emotie aan de orde. Daarin kunnen ze zich flexibel opstellen. Bijvoorbeeld door zich in te leven in de omstandigheden en het emotioneel vermogen van een patiënt. Maar inhoudelijk moeten ze analytisch blijven.’


Weenink werkt eigenlijk al op deze manier. Hij tracht relatie en inhoud te scheiden maar is hierin niet speciaal getraind tijdens zijn opleiding. Weenink meent dat hij niet meer ‘echt’ kan zijn op het moment dat hij tactieken gaat toepassen. ‘In moeilijke gesprekken probeer ik mezelf te zijn’, vertelt Weenink. ‘Hoe? Dat is moeilijk te zeggen want ik heb er geen tactiek voor. Achteraf vraag ik altijd aan de verpleegkundigen die bij moeilijke gesprekken aanwezig zijn, hoe ze het vonden gaan. Dan weet ik of ik op de goede lijn zat. Juist die gesprekken vind ik een van de boeiendste aspecten van het vak.’

Grenzen stellen
Joke Schulkes heeft zich de techniek van afstand en nabijheid in de praktijk eigen gemaakt. Niet alleen door haar gezond verstand, maar ook doordat anderen haar inzichten hebben gegeven kan zij grenzen stellen. Schulkes: ‘Zeker in de beginperiode was ik te grenzeloos. Dat werd bijvoorbeeld duidelijk bij vrouwen van mijn eigen leeftijd die in psychische problemen zaten en veel steun nodig hadden. Zij mochten mij thuis bellen en dan werd er vaak lang gepraat. Soms ging ik er in mijn vrije weekeinden zelfs langs. Ik kende geen rustige momenten meer. Het emotionele beslag was niet zo erg dat ik er uren over piekerde, maar ik kon naar mijn gevoel ‘s avonds geen glaasje wijn drinken. Dan voelde ik me namelijk schuldig omdat ik misschien niet meer de goede dingen zou zeggen als mijn patiënten mij die avond of nacht belden. Bovendien merkte ik dat die extra hulp niet werkte. En mijn man liet me zien wat die vrouwen met mij deden.’ Schulkes veranderde haar beleid en maakte duidelijke afspraken. De les die zij hieruit trok, is tot vandaag de dag terug te vinden in haar werkvisie: ‘De primaire houding is om zo veel distantie te bewaren dat iemand zich vrij voelt om te zeggen wat hij wil. De afstand tussen mij en de patiënt is daarbij geen devies en kan naar gelang de omstandigheden een beetje variëren.’


Ingrid Lutke Schipholt


 

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.