Inloggen
Laatste nieuws
Martine Kamphuis
12 minuten leestijd

Martine Kamphuis: Non nocere

1 reactie

Speciaal voor Medisch Contact schreef psychiater en thrillerauteur Martine Kamphuis een kort verhaal over een duister geheim.

tekst Martine kamphuis | beeld Het Wonderlab

Non nocere

Boudewijn zit in de stoel bij het raam, een plaid over zijn benen. Het licht van de namiddagzon valt op zijn grijze haren. Hij draait zich om – voelt hij dat ik naar hem kijk? Even zie ik de twijfel in zijn ogen. Het volgende moment glimlacht hij precies zoals hij dat deed toen ik hem voor het eerst ontmoette. Vitaal was hij toen, innemend. Hij leek een lot uit de loterij.

De telefoon gaat. De hele dag hebben ze niet gebeld, ik dacht dat het stil zou blijven. Met trillende handen zoekt Boudewijn naar de mobiel. Het ongeduldige rinkelen werkt op mijn zenuwen, ik krijg de neiging om naar hem toe te lopen en de plaid van zijn knieën te rukken. Om mijn handen iets te doen te geven haal ik een roos uit het kerst­boeket dat ik gisteren heb gekocht. Eindelijk vindt hij de telefoon. ‘Met dokter Van Randwijck’, zegt hij op de toon die ik zo goed van hem ken. Ik probeer zowel de woede als de weemoed die ik voel te onderdrukken. Pas als ik de bloem weer terugzet in de vaas, zie ik dat er bloed aan mijn vingers zit.

Gelukkig, ze hebben me toch nog nodig. Ik begon al te twijfelen of ik wel echt dienst had, of mijn naam niet van de lijst was gehaald.

Een vrouwenstem vertelt met zorgvuldig gekozen woorden over een verwarde man die door de
politie is binnengebracht. Hij liep over de Oudegracht en riep dat voorbijgangers zijn gedachten
probeerden te stelen. De politie kwam, hij werd agressief en de rest laat zich raden.

De arts-assistente die dit alles vertelt ken ik niet. Vroeger zou ik zorgen dat ik haar leerde kennen. Het is niet zo moeilijk om het als achterwacht zo te spelen dat het wenselijk is om de patiënt zelf te
komen beoordelen. Eenmaal in de kliniek beoordeelde ik natuurlijk vooral de jonge dokter. Ik zou een boek kunnen schrijven over mijn belevenissen in de dienstkamer – het ene hoogtepunt na het andere. Maar sinds een minder leuke ervaring een paar jaar geleden heb ik mijn plezier liever op een veilige afstand.

Om te weten hoeveel speelruimte ik heb, kijk ik of Melissa nog in de kamer is. Ja, ze doet net de lampjes in de kerstboom aan. Het zijn nieuwe, vorige week heeft ze op een kerstmarkt haar slag geslagen. Ze geniet nog steeds van de mooie dingen die ze zich dankzij mij kan permitteren. Als ik met mijn vingers knip, kijkt ze op. Ik wrijf met de top van mijn duim tegen mijn wijs- en middelvinger. Ze weet wat ik daarmee bedoel.

‘Dokter Van Randwijck?’

Ik denk dat ze een goed figuur heeft. Iemand die zo zorgvuldig haar woorden kiest, zorgt vast goed voor haar lichaam. In gedachten zie ik een serieuze frons boven diepblauwe ogen.

‘Ik zit even na te denken over de casus die je zo keurig gepresenteerd hebt’, zeg ik, terwijl ik me weer naar het raam toe draai. ‘Zowel de jongeman als jijzelf zijn onderwerp van mijn overpeinzingen. Het is goed dat je je werk serieus neemt, kind, maar je moet wel je grenzen in de gaten houden. Je kunt niet alles oplossen, niet al het leed wegnemen.’

Zijn toon verraadt dat de arts-assistent een vrouw is. ‘Wij artsen willen handelen, mensen helpen, hen redden’, hoor ik hem zeggen. ‘Soms vergeten we daarbij de wijsheid van onze voorgangers. In dubio abstine – deze jongeman is psychotisch, dat is duidelijk. Hij is al tegen zijn zin opgenomen, ik betwijfel of we er goed aan doen ook nog eens zonder zijn instemming medicatie toe te dienen die de machinaties van zijn geest overneemt. Daarmee bevestigen we feitelijk zijn waan. Waar nog bij komt dat we hem met overmacht naar de grond moeten werken en zijn broek van hem af moeten stropen om de medicatie in zijn lijf te kunnen krijgen. Is dat nog te rijmen met het primum non nocere?’

Ik doe mijn ogen dicht en probeer me voor te stellen hoe hij klinkt als je hem niet kent. Zelfverzekerd? Ervaren? Wijs? Of zou ook voor een onbekende de stank van gebakken lucht door het potjeslatijn heen walmen?

De arts-assistent reageert. Ze is kennelijk niet onder de indruk van Boudewijns relaas: tijdens haar antwoord zie ik hoe zijn vingers de leuning van de stoel vastgrijpen. Ondanks of misschien wel juist door de spanning moet ik lachen. Boudewijn draait zich met een ruk om en kijkt me aan. Ik houd mijn hand voor mijn mond en doe alsof ik kuch. Hij trapt erin en knipoogt naar me alsof hij zeggen wil: laat ze maar kletsen, ik krijg ze wel klein. Of doelt hij weer op het geld? Hoe langer hij aan de lijn is, des te meer kan hij declareren. Zou daar ook een Latijnse kreet voor zijn?

‘Natuurlijk wil de verpleging dat je iets voorschrijft!’ Boudewijn heeft zich weer omgedraaid. Hij praat hard, zijn toon is verontwaardigd. ‘Die willen rust op de afdeling! Het is aan ons artsen om dat niveau te overstijgen. Ik herinner me een casus…’

Hij maakt zijn zin niet af, kennelijk krijgt hij de ruimte niet om verder te oreren. Zijn gezicht loopt rood aan.

‘Je laat je voor hun karretje spannen! Ik kan hier geen verantwoordelijkheid voor nemen!’

Woedend drukt hij de arts-assistent weg en legt de mobiel in zijn schoot. Netjes op de plaid, waar ik hem straks gemakkelijk zal kunnen pakken.

Ze is vast zo’n lelijk type dat haar frustraties over haar uiterlijk omzet in dwingend en eigengereid gedrag.

Zal ze over me klagen?

Sinds mijn val afgelopen zomer kom ik niet meer in de kliniek. Daardoor staat mijn positie ter discussie. De manager heeft er nog niet zo lang geleden voor de tweede keer over gebeld. Stel dat hij de klacht aangrijpt om me de nekslag te geven! Wat blijft er dan nog over?

Als ik naar buiten kijk in een poging mezelf af te leiden, kijk ik recht in de ogen van een frêle oude man die me vaag bekend voorkomt. Pas als ik mijn hand ophef om hem te groeten, dringt het tot me door dat het mijn spiegelbeeld is.

Ik sluit mijn ogen en vecht tegen de opkomende paniek. Hoe zei Spinoza het ook weer? Sub species aeternitates, zo moet je naar de dingen kijken. In het licht van de eeuwigheid verliezen eigenwijze jonge dokters en kortzichtige managers toch zeker hun betekenis?

Het werkt: als ik mijn ogen open doe, kijk ik dwars door de ruit heen. In de vallende schemering kan ik nog net de witte kerstrozen zien. Ze doen het goed dit jaar. Melissa wilde iets anders in dat perk laten zetten, iets wat in de zomer bloeit. Ik heb het tegengehouden, ik wilde mijn kerstrozen niet kwijt.

Rozen zonder doornen, zo noemde Trudy ze. Mijn eerste vrouw had ze liever dan gewone rozen, waar je je zo gemeen aan kon prikken. Ze was gevoelig, slecht bestand tegen de pijn die onherroepelijk bij dit leven hoort. Gelukkig heeft ze op het einde niet geleden. Dat blijft staan, in het licht van de eeuwigheid. Het is iets waar ik nog steeds trots op ben.

De eerste keer dat de kerstrozen bloeiden, was Trudy al dood. Angela woonde hier toen, het betoverende centrum van mijn wereld. Ik genoot van haar, des te meer omdat ik diep van binnen wist dat het niet zou duren. Haar zwarte kant was me bekend, die stond uitgebreid beschreven in haar dossier. Toch ging het heel lang goed, zo lang dat ik begon te hopen dat mijn liefde haar genezen had. Het waren misschien wel de beste jaren van mijn leven. Het waren zeker haar beste jaren. Tot ze over de tuchtrechter begon. Hoe laag kan een mens gaan? Toch heb ik ook haar geen pijn gedaan. Ze heeft er helemaal niets van gemerkt.

Ook in de tuin gaat nu de kerstverlichting aan, twinkelende witte lampjes, smaakvol verspreid tussen het groen. Melissa’s voetstappen komen vanuit de keuken naar me toe.

‘Alsjeblieft Boudewijn’, zegt ze en ze zet een dampende mok chocolademelk op het tafeltje naast mijn stoel. ‘Je kunt denk ik wel iets lekkers gebruiken, na dat gedoe van daarnet.’

Ze glimlacht. Ogenschijnlijk is alles zoals het moet zijn, maar is het wel zo? Sinds een paar maanden twijfel ik. Het begon met kleine dingen: een geërgerde blik toen ze dacht dat ik niet keek, een subtiele verschuiving van de spullen in mijn bureau, een koude plek naast me in bed. Hoewel ik voor Melissa nooit de hartstocht heb gevoeld die er bij Angela was, ben ik altijd blij met haar geweest. Dat werd de laatste jaren alleen maar sterker. Ze helpt me ’s ochtends als ik stijf ben uit bed, en als mijn handen te erg trillen, helpt ze me met aankleden. De hele dag is ze er als ik haar nodig heb. Wat wil ik nog meer?

Maar als zij er zelf niet gelukkig mee is, wordt alles anders. Een huwelijk waarbinnen je ontevreden bent wordt een gevangenis, dat heb ik in mijn werk vaak genoeg gezien. Dat gun ik Melissa niet. Als zij ongelukkig is zal ik ingrijpen. Ook haar zal ik daarbij geen pijn doen.

Ze buigt zich over me heen en pakt de gsm. ‘Het zit erop, toch?’ vraagt ze. ‘Ik zal hem meteen weer opladen.’

Ze ziet er gespannen uit. Zal ik vragen wat er is? Nee, dat is zinloos. Een gevangene neemt haar cipier niet in vertrouwen.

Melissa loopt naar de keuken, ik hoor de la waar de diensttelefoon huist open- en dichtgaan. Dan komt ze terug met een tweede mok chocolademelk en gaat naast me zitten. Ze glimlacht naar me en voor het eerst in de afgelopen weken doen haar ogen mee. De reserve die ik steeds bij haar voelde is weg. Opluchting golft door me heen. Met een brok in mijn keel pak ik haar hand. Als ik eerlijk ben, weet ik wel dat één moment van nabijheid niet voldoende is om te bewijzen dat mijn twijfels onterecht zijn. Maar alleen al de hoop dat ze ongegrond zouden kunnen zijn is genoeg. In dubio abstine. Zolang ik niet zeker weet dat zij diep in haar hart ongelukkig is met mij, hoef ik niets te doen.

Bij Trudy en Angela was het niet moeilijk. Als je de sleutel van de instellingsapotheek hebt, zijn er mogelijkheden te over. Toen Trudy aan jaloezie ten onder ging, heb ik gewoon wat opgelost in een kom zelfgemaakte preisoep. Bij Angela hoefde ik nog minder moeite te doen, zij slikte dagelijks handenvol tabletten en wilde altijd wel wat nieuws proberen.

Die eerste stap zou nu een stuk lastiger zijn. Niet vanwege het middel – ik heb destijds met vooruitziende blik een flesje chloralhydraat meegenomen. Alleen: hoe dien je iets toe aan iemand die al het eten en drinken klaarmaakt?

De fase erna zou ook een probleem worden. Trudy en Angela liggen vredig in elkaars verlengde
onder de kerstrozen. Maar wat zou ik met Melissa moeten beginnen? Ik kan nauwelijks meer een biefstuk snijden, laat staan dat ik een meterdiep gat kan graven.

Melissa knijpt in mijn hand. ‘Drink lekker je chocolademelk op, lieverd.’

Ik neem een slok.

‘Hmm’, zeg ik en ik glimlach naar haar. Ondanks expliciete orders van onze pedante huisarts heeft ze er een flinke scheut rum in gedaan. Ze geeft me een knipoog en glimlacht. Weer doen haar ogen mee.

Ik doe mijn ogen dicht om de opwellende tranen te verbergen en leun achterover in mijn stoel. De drank maakt me loom. Melissa trekt de plaid verder over me heen, dan hoor ik haar voetstappen naar de keuken gaan. Wat zouden we ook weer eten vandaag? Iets lekkers, ze heeft het gezegd, maar ik kan er niet opkomen.

De voetstappen komen terug. Ik wil naar haar kijken, maar mijn oogleden zijn te zwaar.

Melissa neemt mijn hand in de hare.

Zelfs als ze denkt dat ik slaap, is deze vrouw lief voor mij. Hoe heb ik ooit aan haar kunnen
twijfelen?

Er komt een diepe rust over me als ik naast hem zit. De mobiel is uit en veilig opgeborgen, de vaste telefoons liggen buiten zijn bereik. Mocht hij argwaan krijgen, dan kan hij niemand meer bereiken. Hij sluit zijn ogen, zijn ademhaling wordt dieper. Ik kijk op mijn horloge. Over tien minuten vertrek ik.

Terwijl ik naar de keuken loop om mijn mok af te wassen, denk ik aan de gebeurtenissen die tot dit moment hebben geleid. Een paar weken geleden belde de manager van de kliniek terwijl Boudewijn sliep. Ik wilde zijn 06-nummer opschrijven, maar op Boudewijns bureau lag alleen zijn vulpen. Dus deed ik iets wat ik nooit eerder gedaan heb – ik keek in de lades.

Eerst vond ik het flesje. Daar zou ik niets achter gezocht hebben, als er geen afscheidsbrief naast had gelegen. Met daaronder een blocnote waarop Boudewijn overduidelijk had zitten oefenen op mijn handschrift.

Als ik de mok heb afgedroogd pak ik het lege flesje met een tissue vast en loop terug naar de kamer. Hij is verder onderuitgezakt, een tevreden uitdrukking op zijn gezicht. Dat maakt me boos. Hij verdient het niet vredig te sterven.

Zal ik hem wakker maken en zeggen wat ik gedaan heb? Zorgen dat hij weet dat hij doodgaat en vooral ook waarom?

Nog twijfelend pak ik zijn hand vast en druk de toppen van zijn vingers één voor één op het flesje. Samen met de afscheidsbrief leg ik het naast zijn mok, waar ik het vanavond laat allemaal vinden zal. Als ik op mijn horloge kijk, zie ik dat ik nog vier minuten heb.


 

werkt als psychiater en heeft zich gespecialiseerd in de behandeling van jonge mensen met gedragstoornissen. Haar meest recente boek, Mist, volgt geneeskundestudent Carlo, die zijn intrek neemt in een ogenschijnlijk gezellige studentenflat. Totdat hij erachter komt dat een vorige bewoner onder dubieuze omstandigheden is omgekomen. Carlo heeft steeds meer reden om zijn huisgenoten te wantrouwen, en om te vrezen voor zijn eígen leven.

beeld: de beeldredaktie, Jiri Büller



Na de kerstdagen toe aan een spannend boek?
Beantwoord onderstaande vraag en maak kans op de thriller Mist van Martine Kamphuis.

De eerste tien inzenders met het juiste antwoord krijgen de prijs toegestuurd.

Wat is de titel van Martine Kamphuis’ eerste young adult-thriller?

Mail het antwoord naar: redactie@medischcontact.nl o.v.v. ‘prijsvraag’.


Thrillerschrijfster Martine Kamphuis

Prijsvraag

Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.