Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
Johan Mackenbach
26 juni 2002 5 minuten leestijd

Het onzichtbare succes van preventie

Plaats een reactie

Meer onderzoek nodig naar het voorkómen van ziekten

In de Nederlandse gezondheidszorg gaat jaarlijks bijna  

40 miljard om. Zonder twijfel draagt dit kolossale bedrag bij aan de gezondheid van de Nederlandse bevolking. Maar veel belangrijker voor de volksgezondheid dan curatieve zorg is preventie. Omdat vermeden ziektegevallen echter onzichtbaar zijn, dreigt het belang van preventie steeds weer op de achtergrond te raken.



Tussen 1900 en 2000 nam de levensverwachting toe van 52 naar 77 jaar. Van die extra 25 jaar komt hooguit 5 jaar op rekening van de curatieve zorg. De rest komt op rekening van preventie in de vorm van verbetering van levensomstandigheden en gerichte preventieve interventies. De grootste (en oudste) successen van preventie liggen op het terrein van de infectieziektenbestrijding. Dankzij vaccinaties zijn de meeste ernstig verlopende kinderziekten met meer dan 95 procent, soms zelfs met 100 procent teruggelopen. Hierdoor (en door onder andere betere huisvesting, schoner drinkwater, tuberculosebestrijding) is de sterfte door infectieziekten met meer dan 90 procent verminderd.

Gezondheidswinst


Ook door verbetering van de arbeidsomstandigheden is enorme gezondheidswinst geboekt. Dankzij veiliger productiemethoden en betere instructie van personeel is het aantal dodelijke ongevallen met meer dan 90 procent gereduceerd, terwijl ook de blootstelling aan giftige stoffen en fysiek belastende werkomstandigheden sterk is afgenomen.


Betere moeder- en kindzorg (onder meer anticonceptie, preventieve verloskundige zorg, consultatiebureaus) heeft kinderen een gezondere start gegeven en bijgedragen aan daling van de zuigelingensterfte met meer dan 90 procent.

Inwoners van Beetgumermolen (bij Leeuwarden) krijgen een Mantoux-prik om te zien of ze aan TBC lijden. Foto: Persbureau Noordoost, Peter Wouda


Van recenter datum is de toegenomen verkeersveiligheid. Veiliger motorvoertuigen en betere infrastructuur, en specifieke maatregelen als alcoholbeperking, autogordels en bromfietshelmen hebben sinds het begin van de jaren ’70, ondanks de toegenomen verkeersdrukte, geleid tot een daling van de verkeerssterfte met circa 40 procent. Ongeveer tegelijkertijd is de bestrijding van hart- en vaatziekten goed op gang gekomen. Het antirookbeleid, opsporing en behandeling van hoge bloeddruk, en betere voedingsgewoonten hebben, in dit geval samen met verbeteringen in curatieve zorg, de hartsterfte met meer dan 50 procent verlaagd.


Dit zijn spectaculaire successen die de resultaten van de curatieve zorg in de schaduw stellen. Maar die successen waren ondenkbaar zonder publieke investeringen in onderzoek. Als wetenschappelijk onderzoek ergens tastbaar heeft bijgedragen aan het welzijn van de bevolking dan is het hier. Doeltreffende preventie is steeds opgebouwd via


1. inzicht in de oorzaken van ziekten,


2. ontwikkeling van effectieve methoden om oorzaken weg te nemen, en


3. zorgvuldige invoering van deze methoden op grote schaal. Bij ieder van die stappen is onderzoek nodig.

Neem vaccinaties: klinische en epidemiologische observaties moeten eerst een ziekteverwekker aanwijzen, en zodra in het laboratorium een werkzaam vaccin is ontwikkeld, moet dit op onafhankelijke wijze in experimenteel onderzoek op zijn veiligheid en (kosten)effectiviteit worden geëvalueerd. Ook is vaak sociaal-wetenschappelijk onderzoek nodig om een vaccinatieprogramma zo vorm te geven, dat deelname maximaal is.
Iets dergelijks geldt ook voor andere vormen van preventie. Potentiële gezondheidswinst kan alleen worden verzilverd na soms forse publieke investeringen in onderzoek. Hoe hadden we zonder onderzoek geweten dat onzuiver drinkwater cholera verspreidt? En dat je van asbest kanker krijgt? Als het aan de tabaksindustrie had gelegen, hadden we nooit geweten dat veel ziekten kunnen worden vermeden door niet te roken. Ook effectieve vroegopsporing van ziekten, zoals de hielprik bij pasgeborenen, detectie van hoge bloeddruk en sinds de jaren ’90 bevolkingsonderzoek op baarmoederhals- en borstkanker, was er nooit geweest zonder uitgebreid onderzoek.

Financiering


In Nederland is dit onderzoek sinds de jaren ’50 gefinancierd door het Praeventiefonds, een publiek fonds gevuld uit een kleine opslag op de AWBZ-premie. Hierachter zat de goede gedachte dat voorkómen beter is dan genezen, en dat het verstandig is uit de middelen voor de curatieve zorg wat apart te zetten voor investeringen in preventie. In 1997 ging het Praeventiefonds op in ZorgOnderzoek Nederland (ZON), een goed initiatief van de minister van VWS dat beoogde het publiek gefinancierde onder-zoek op het terrein van preventie en gezondheidszorg een programmatischer aanpak te geven. In het kader van dit ‘Preventieprogramma’ is in de jaren 1998 tot en met 2002 jaarlijks bijna _ 15 miljoen aan onderzoek besteed. Met het oog op een tijdige nieuwe opdracht voor het ‘Preventieprogramma’ is dit al in 2001 door onafhankelijke commissies geëvalueerd. Niet alleen wordt de programmatische aanpak geprezen, ook zijn er goede verwachtingen voor toekomstige toepassing van de resultaten. Dit is een zaak van lange adem, maar de ervaringen met het Praeventiefonds laten zien dat toepassingen zeker kunnen worden verwacht. De evaluaties pleiten voor ten minste handhaving van het investeringsniveau op dat van de afgelopen jaren.


Het is dan ook op zijn zachtst gezegd verrassend dat deze adviezen nog niet door de minister zijn overgenomen. Door het uitblijven van de opdracht voor een nieuwe vijfjaarsperiode heeft ZON, inmiddels opgegaan in ZonMw, zelfs moeten besluiten de jaarlijkse financieringsronde in 2002 af te blazen. Waarschijnlijk gaat daardoor het jaar 2003 voor het preventieonderzoek verloren. Dit bedreigt de continuïteit van langlopend preventieonderzoek, zoals de evaluatie van nieuwe programma’s voor het vroeg opsporen van kanker, en levert problemen op voor onderzoeksgroepen en -instituten die voor hun financiering in belangrijke mate op het ‘Preventieprogramma’ zijn aangewezen.

Traagheid


Naar verluidt is een van de achtergronden van de traagheid bij het ministerie dat men ondanks de externe adviezen behoefte had aan een diepgaande bezinning op inhoud, vormgeving en omvang van het ‘Preventieprogramma’. Wat hierover inmiddels naar buiten is gekomen, stemt niet erg optimistisch over de toekomst van het preventieonderzoek in Nederland. De kans lijkt reëel dat het budget voor het preventieonderzoek wordt verlaagd door enerzijds het bedrag beschikbaar voor het ‘Preventieprogramma’ te verlagen en anderzijds binnen dit programma een accentverschuiving aan te brengen van onderzoek naar kennisoverdracht en implementatie van bevindingen. Dit is onverantwoord, want voor preventieonderzoek is in de komende jaren eerder méér dan mínder geld nodig.


Allereerst noopt het behouden van gezondheidswinst uit het verleden tot voortdurende bijstelling: preventie heeft immers een moving target. Door veranderingen in bevolkingssamenstelling en in de wijze waarop ziekteoorzaken zich verspreiden, zijn steeds aanpassingen noodzakelijk. Zo hebben allochtonen deels andere gezondheidsrisico’s dan autochtonen. Om deze nieuwe groepen te bereiken moeten soms oude methoden worden aangepast. Ook doemen steeds nieuwe gezondheidsrisico’s op, zoals de ‘nieuwe’ infectieziekten HIV en hepatitis C. Daarnaast willen we toch van de eenentwintigste eeuw net zo’n succes maken als van de twintigste eeuw, door de vele nieuwe mogelijkheden voor preventie optimaal te benutten? Dit


kan alleen als de afdeling Research & Development van deze tak van gezondheidszorg zijn systematische werk blijft doen. Zo zullen er, bijvoorbeeld door ontwikkelingen in de genetica, meer mogelijkheden voor het vroegtijdig opsporen van ziekten ontstaan. Maar om die veilig en effectief te kunnen toepassen is altijd zorgvuldig en soms grootschalig evaluatieonderzoek nodig.


En natuurlijk is kennisoverdracht en implementatie belangrijk. Als zich hierbij problemen voordoen is het wellicht nodig dat ook hiervoor extra middelen beschikbaar komen. Maar dat mag en kan niet ten koste gaan van investeringen in onderzoek.

prof. dr. J.P. Mackenbach,
hoogleraar Maatschappelijke Gezondheidszorg aan het Erasmus MC, Universitair Medisch Centrum Rotterdam

 

Correspondentieadres: Instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg, Universitair Medisch Centrum Rotterdam, Postbus 1738, 3000 DR Rotterdam, e-mail: mackenbach@mgz.fgg.eur.nl

SAMENVATTING


l Preventie heeft in de twintigste eeuw een grote bijdrage geleverd aan verbetering van de volksgezondheid.


l De successen van preventie waren ondenkbaar geweest zonder onderzoek.


l  De laatste jaren wordt dit gefinancierd uit het ZonMw Preventieprogramma.


l Voornemens om de omvang van dit programma terug te brengen en een accentverschuiving van onderzoek naar implementatie aan te brengen, zijn onverantwoord.

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.