Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Ellen Burgering Han Willems
10 april 2013 6 minuten leestijd
video

Arts vraagt te weinig naar drankgebruik

1 reactie

KNMG onderzoekt belemmeringen om alcohol ter sprake te brengen

Hoewel iedere arts erkent dat alcoholmisbruik een ernstig probleem is, vindt menigeen het moeilijk om het onderwerp aan te roeren. Artsenfederatie KNMG zocht uit waarom en laat zien hoe het beter kan.

Ellen Burgering, beleidsadviseur KNMG


De schadelijke gevolgen van – overmatig, maar ook matig – alcohol-gebruik zijn talrijk en op ruime schaal gemeten en beschreven. Vele soorten van kanker, ongeveer tweehonderdzestig andere lichamelijke en psychische/psychiatrische ziekten en vele vormen van ernstige sociale problematiek worden veroorzaakt of bevorderd door alcohol.1 Uit onderzoek blijkt dat 7 à 11 procent van de Nederlandse bevolking probleemdrinker is.2 Het Nationaal Kompas Volksgezondheid geeft aan dat 10 procent van de Nederlanders van 12 jaar en ouder in 2009 een zware drinker was.3 En hoewel definities verschillen, moge duidelijk zijn dat artsen regelmatig te maken krijgen met patiënten bij wie de klachten en problemen samenhangen met hun alcoholgebruik.

Voor huisartsen is sinds 2005 de NHG-Standaard Problematisch alcoholgebruik beschikbaar en sinds 2009 bestaat de Multidisciplinaire richtlijn Stoornissen in het gebruik van alcohol. Toch blijkt dat artsen alcoholgebruik niet altijd gemakkelijk ter sprake brengen, terwijl onderzoek uitwijst dat bij ervaren artsen de anamnese de basis is om te komen tot een diagnose.4 Mogelijk worden hierdoor verkeerde diagnoses gesteld en patiënten niet adequaat behandeld.

De KNMG wilde meer inzicht krijgen in de factoren die van invloed zijn op het besluit van de arts om alcoholgebruik al dan niet aan de orde te stellen bij hun patiënten en vroeg zich onder meer af of een van die factoren het eigen alcoholgebruik van de arts zou kunnen zijn. Daarom startte de artsenfederatie, nu ruim een jaar geleden, het project ‘Praten met de patiënt over alcoholproblematiek’. Belangrijk element was een enquête onder de leden. Om gericht vragen te kunnen stellen, is eerst op kleinschaliger maar intensiever niveau informatie verkregen. Enerzijds via een focusgroep van artsen zonder alcoholprobleem, anderzijds via persoonlijke interviews met artsen die aan alcohol verslaafd zijn geweest (zie kaders).

Uitkomst enquête
Uit de focusbijeenkomst, de individuele gesprekken alsmede de literatuur zijn vervolgens factoren gedistilleerd die van invloed zouden kunnen zijn op het besluit van de arts om het alcoholgebruik van de patiënt aan de orde te stellen. Deze factoren zijn afgelopen najaar verwerkt in een vragenlijst die door 257 KNMG-leden is ingevuld.

De grootste groep was huisarts (54,1%), gevolgd door bedrijfsartsen (14,7%) en psychiaters (10,9%). De meerderheid van de respondenten was tussen de 46 en 60 jaar; ongeveer evenveel mannen als vrouwen vulden de vragenlijst in.

Uit de resultaten blijkt dat de grote meerderheid (89,1%) van de artsen zelf alcohol drinkt, en hoewel dat met mate is en niet dagelijks, speelt dit bij ruim een derde (38,1%) een rol in het bespreken van alcoholproblematiek in de spreekkamer, bijvoorbeeld in de zin dat het lijkt dat het eigen alcoholgebruik het referentiekader is: ‘Eigen referentiekader bepaalt.’

Hoewel de meeste artsen (88,7%) vinden dathet wél hun taak is alcoholproblematiek op te sporen, en deze patiënten zich meermalen per maand presenteren op het spreekuur, vraagt 60 procent niet altijd naar het alcoholgebruik van de patiënt, ook niet bij klachten die mogelijk duiden op problematisch gebruik. Men voelt zich er ongemakkelijk bij, het zit niet in het rijtje standaard-vragen, het onderwerp staat gevoelsmatig zo ver van hen af dat het niet bij hen opkomt om erover te beginnen of men weet niet hoe je dit onderwerp zo neutraal mogelijk aansnijdt. Opvallend is dat bij ruim een vijfde van de respondenten deze categorie patiënten zelfs weerstand oproept. Van diegenen die wel altijd vragen naar het alcoholgebruik van de patiënt, besteedt amper een kwart tijd aan het behandelen van een patiënt die een alcoholprobleem blijkt te hebben.

Verder geven de respondenten aan dat hun kennis over klachten, risicogroepen en kortdurende interventietechnieken onvoldoende is, en de behoefte aan nascholing groot. Ook is er behoefte aan een eenduidige norm over wat moet worden verstaan onder problematisch alcoholgebruik.

Tot slot komt naar voren dat het huidige vergoedingenstelsel een disbalans laat zien tussen de vergoeding voor de zogenaamde ‘harde somatiek’ en vergoeding voor tijdrovende gespreksvoering. Het is aannemelijk dat dit van invloed is op het al dan niet bespreekbaar maken van het alcoholgebruik van de patiënt.

De bevindingen in dit onderzoek zijn niet op alle onderdelen verrassend. Wel onverwacht is het feit dat zoveel artsen aangeven niet op de hoogte zijn van toch al jarenlang bestaande en in richtlijnen beschreven interventie-instrumenten.

Aanbevelingen
Op grond van de resultaten van dit onderzoek doen wij artsen en hun wetenschappelijke en beroepsverenigingen de volgende aanbevelingen:

• Neem de vraag over alcoholgebruik standaard op in de anamnese.

• Stel een eenduidige norm vast voor problematisch alcoholgebruik.

• Alcoholproblematiek dient in de basisopleiding al behandeld te worden.

• Investeer in kennis over de risicogroepen; kennis over de symptomen die kunnen duiden op een alcoholprobleem; kennis over inter-ventietechnieken; communicatieve tools om
op neutrale wijze alcoholgebruik te bespreken.Dit kan onder meer via een vorm van e-learning.

• Pas het huidige vergoedingenstelsel aan, zodat recht wordt gedaan aan de tijdsinvestering die gepaard gaat met behandeling door de huisarts.


‘Geen alcoholpolitie’

De KNMG organiseerde onder meer een focusbijeenkomst met zes artsen – twee huisartsen, een huisarts in opleiding, een psychiater, een bedrijfsarts en een orthopedisch chirurg – zonder alcoholprobleem. Zij discussieerden openlijk, soms naar aanleiding van eigen ervaringen, over wat volgens hun belemmerende factoren zijn bij het vragen naar het alcoholgebruik van de patiënt. Er werd onder meer geopperd dat bij spoedeisende hulpverlening in een ziekenhuis vaak de houding overheerst van ‘wij zijn niet van de alcoholpolitie’. En over de eigen kennis van zaken zei een deelnemer: ‘Ik weet eigenlijk niet hoe ik dit moet aanpakken.’

Ook waren de deelnemers van mening dat het eigen alcoholgebruik van invloed is op de houding ten opzichte van de patiënt, en soms tot een dubbele moraal kan leiden. Zo kan een dronken student op de SEH worden gebagatelliseerd met ’dat hoort bij het student zijn.’



‘Ik herken als ex-verslaafde de excuses’

Individuele gesprekken vonden plaats met vijf artsen – twee huisartsen, twee psychiaters en een verslavingsarts – bij wie in het (recente) verleden sprake was van een alcoholverslaving. Daaruit kwam het beeld naar voren dat juist die eigen ervaring een positief effect heeft op het professioneel handelen. ‘Ik herken als ex-verslaafde de excuses, uitvluchten en rationalisaties.’ Hun betrokkenheid bij het onderwerp maakt dat zij geen belemmering voelen om alcoholgebruik bespreekbaar te maken. ‘Juist omdat ik weet hoe verborgen een alcoholverslaving kan zijn, vraag ik er vrij snel en makkelijk naar’. En: ‘Alcoholgebruik hoort in het rijtje algemene vragen over lifestyle, voeding, roken, sporten en dergelijke.’

Uit het feit dat de artsen met een verslavingsgeschiedenis zo anoniem mogelijk wilden blijven, blijkt wel dat er een groot taboe rust op alcoholverslaving.

Allen zeiden goed op de hoogte te zijn van de aspecifieke signalen die kunnen duiden op problematisch alcoholgebruik en van de behandelmogelijkheden, maar ook viel er kritiek te beluisteren op delen van de verslavingszorg: ‘In particuliere instellingen is vaak geen sprake van behandeling, maar van detoxificatie.’

Belangrijk om op te merken is dat allen van mening zijn dat de omvang van problematisch alcoholgebruik groot is en wordt onderschat. Over de vraag of tijdgebrek en vergoedingsproblemen een rol spelen bij het al dan niet aan de orde stellen van alcoholgebruik lopen de meningen uiteen. Sommigen vinden duidelijk van wel: ‘Als ik een goed inventariserend gesprek met een patiënt heb van meer dan twintig minuten, of een uur met een depressieve patiënt praat, mag ik 18 euro rekenen. Terwijl ik een lipoom soms in 15 minuten verwijderd heb voor 85 euro! Wij hebben in Nederland een positieve discriminatie voor harde somatiek.’




Ellen Burgering en Han Willems,

beleidsadviseurs KNMG

Correspondentieadres: e.burgering@fed.knmg.nl; c.c.: redactie@medischcontact.nl

Geen belangenverstrengeling gemeld.



<b>Download dit artikel (PDF)</b>
video KNMG alcohol anamnese alcoholverslaving
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • L.T Horsman, psychiater, ALKMAAR 17-04-2013 00:00

    "Reactie op “arts vraagt te weinig naar drankgebruik”

    De KNMG stelt op basis van een enquête vast dat ondanks het bestaan van protocollen voor het vaststellen en behandelen van problematisch alcoholgebruik voor huisartsen (2005) en de Multidisciplinaire Richtlijn Stoornissen in het gebruik van alcohol (2009) alcoholgebruik onvoldoende in de spreekkamer aan de orde komt. Uit de enquête komen een aantal herkenbare, maar ook zorgelijke redenen naar voren: het eigen alcoholgebruik als referentiekader, weerstand om verslaving aan de orde te stellen, onvoldoende kennis en kunde, en een disbalans in het huidige vergoedingenstelsel, waarbij “harde somatiek” financieel wordt bevoordeeld.
    Waar in de inleiding van het artikel de ernst en omvang van persoonlijke en maatschappelijke kosten wordt beschreven, roept deze disbalans in vergoeding, gemakkelijk ook uit te breiden naar de bestaande vergoedingen voor allerlei bestaande en geplande preventieve screenings naar somatische risicofactoren, de vraag op of de genoemde weerstand tegen verslaving, niet ook bij politici en zorgverzekeraars een rol zou kunnen spelen.
    Hoewel de vraag naar alcohol en andere verslavingsmiddelen van oudsher tot mijn standaardanamnese behoort, ben ik me pas de laatste jaren In mijn werk als psychiater in een eigen praktijk, bewust geworden van de omvangrijke co morbiditeit van problematisch alcoholgebruik bij vooral angst en stemmingsstoornissen. Maar vaststellen en bespreken is een ding; het ontstaan van probleembesef, aanpakken van het probleem, motiveren en veranderen van het gedrag, zijn langdurige en intensieve processen. Het is mij ook vaak opgevallen dat niet zozeer de arts in de rol van de politieagent komt, daar kan vaak ook een (te) optimistisch verhaal verteld worden, maar veel vaker komen de partner of kinderen in deze rol. Voor een psychiater worden de vaak langdurige interventies binnen de DBC-structuur (nog) redelijk vergoed, maar samenwerking met de verslavingszorg is binnen deze structuur vaak weer veel lastiger.
    Volgens recente krantenartikelen is er wellicht een probleem bij het openen van nieuwe particuliere verslavingsinstellingen. Het is in mijn ervaring echter zeker niet zo dat hier geen behandeling plaatsvindt, maar slechts detoxificatie. In de (particuliere) instelling waar ik ook werkzaam ben vindt, naast de zeer noodzakelijke detoxificatie, een intensief klinisch en langdurig after care traject plaats, waar de ingezette veranderingen worden ondersteund en uitgebouwd. Uiteraard is effectonderzoek, om echt effectieve en blijvende resultaten te onderbouwen, zeer belangrijk. Een adequate financiering is hierbij een basisvoorwaarde.
    Theo Horsman, psychiater verslavingskliniek SolutionS en vrijgevestigd te Alkmaar.
    "

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.