Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
B.V.M. Crul; (nog) arts mr. W.P. Rijksen
05 september 2006 10 minuten leestijd
Uitspraak tuchtcollege

MC 36 - Homeopathisch vaccineren

Plaats een reactie

Die artsen onder u die niet werkzaam zijn binnen de individuele gezondheidszorg en die geen werkzaamheden verrichten die tot hun deskundigheid als arts behoren, zijn als ze ook geen scholing volgen hun artsentitel waarschijnlijk over een paar jaar kwijt. Als vertrekkend minister Hans Hoogervorst zijn voorstel hierover tenminste in september door de Eerste Kamer krijgt. U kunt zich dan ook niet meer onder de titel ‘arts’ in de media afficheren en uw adviezen daarmee een vertrouwenwekkende lading geven. Vanzelfsprekend geldt dat ook de alternatief werkende artsen onder u. De inspectie zal daar blij mee zijn, maar de keerzijde ervan is dat als u zonder titel uw activiteiten voortzet, u ook niet meer - zoals in onderstaande casus  - als niet-BIG-geregistreerd persoon voor het tuchtcollege kan worden gedaagd.



In deze zaak verkende de inspectie de grens van ‘hoe ver een arts mag gaan met het publiekelijk aanprijzen van een niet-wetenschappelijk bewezen medische behandelwijze’. Een homeopathisch arts had zich in regionale dagbladen kritisch uitgelaten over vaccinaties in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP).


Kritiek op het RVP is geoorloofd, ja zelfs gewenst, aldus het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven. Maar als de publiek gegeven adviezen schadelijk zijn voor het belang van een goede individuele gezondheidszorg, wordt een grens overschreden. Daarin balanceerde de arts met zijn afwijkende vaccinatieadviezen volgens het Regionaal Tuchtcollege ‘op het randje’, maar hij viel er pas overheen toen hij meldde dat een onverhoopt optredende kinkhoest goed homeopathisch te behandelen zou zijn. Omdat dit niet wetenschappelijk was onderbouwd, ouders hierdoor vaccinatie zouden kunnen uitstellen, viel hem een waarschuwing ten deel.



Maar zolang witgejaste personen onzinnige gezondheidsproducten in de media kunnen blijven aanprijzen met de claim dat de effectiviteit daarvan ‘wetenschappelijk bewezen is’, blijft het dweilen met de kraan open.

B.V.M. Crul, (nog) arts


mr.W.P. Rijksen



Uitspraak Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te  Eindhoven d.d. 19 april 2006



Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de bij brief van 17 januari 2005 binnengekomen klacht van: A te B, aanvankelijk in de persoon van C, later D, klager, tegen: E, arts, werkzaam te F, verweerder, gemachtigde mr. G.



1. Het verloop van de procedure


Het college heeft kennisgenomen van- het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek.


Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun bij brief d.d. 18 augustus 2005 geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.


De klacht is ter openbare zitting van 22 februari 2006 behandeld. Partijen waren aanwezig, verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde.



2. De feiten


Het gaat in deze zaak om het volgende:


Op 18 februari 2004 is in het H, het I, in het J en mogelijk ook in andere regio­nale edities, een artikel verschenen met als kop: ‘Aan inenten kleven risico’s’.


In het artikel werd verweerder met foto en artsentitel gepresenteerd. Voorafgaande aan de plaatsing van het artikel heeft verweerder zich met de inhoud akkoord verklaard. De inhoud van het artikel komt overeen met het boek ‘Inenten niet zonder risico’s’ op naam met titelvermelding van verweerder en ook met de internetpagina van verweerder (K), waar verweerder voorlichting geeft aan het publiek over homeopathie en vaccinatie.


Het gewraakte artikel bevat de navolgende inleiding:



‘Je kind wel of niet laten inenten. Steeds meer ouders zijn onzeker bij het nemen van deze beslissing vanwege mogelijke bijwerkingen. De recente berichtgeving dat het kinkhoestvaccin een ernstige vorm van epilepsie tot gevolg kan hebben, zorgde opnieuw voor onrust. De overheid ontkent de link. Maar volgens homeopathisch arts E  kunnen vacci­naties wel degelijk gevaren met zich meebrengen.’



Het artikel bevat voorts een samenvattende conclusie onder de titel ‘Bijwerkingen verminderen’ en wel als volgt:



‘

Ouders die kritisch staan tegenover het huidige vaccinatiebeleid kunnen de volgende adviezen uit de homeopathische geneeskunde overwegen:


- Later beginnen met inenten (10-12 maanden). Het immuunsysteem van het kind is dan rijper, waardoor de kans op bijwerkingen afneemt.


- De eerste serie van drie D(K)TP en HIB-vaccinaties reduceren tot twee, zoals ook bij kinderen gebeurt die pas na één jaar gevaccineerd worden. Het kind kan geprikt worden op antilichamen om er zeker van te zijn dat het die voldoende heeft.


- Geen twee prikken tegelijk laten geven; geen DTP en a-cellulair kinkhoest (4 jaar) en geen DTP en BMR-prik samen (9 jaar).


- Twee maanden in plaats van één maand wachten tussen vaccinaties.


- Overwegen de kinkhoestvaccinatie weg te laten. Deze inenting geeft de meeste bijwerkingen en een slechte bescherming en is homeopathisch goed te behandelen, ook bij de hele kleintjes, aldus E.


- Voor en na elke inenting de homeo­pathische verdunning van de prik geven om bijwerkingen te voorkomen of te verminderen.


- Alert zijn op veranderingen bij het kind. Klachten na een inenting eerst genezen met de homeopathische variant van het vaccin, voordat er nieuwe prikken worden gezet.’



Bij klager zijn diverse brieven binnen­gekomen, waarin verontrusting over deze uitlatingen wordt uitgesproken.



3. Het standpunt van klager en de klacht


Klager meent dat verweerder door zijn publiekelijke propaganda tegen vaccineren deze vorm van verlening van gezondheidszorg in een kwaad daglicht stelt en daardoor grote onrust teweegbrengt met betrekking tot de uitvoering van het Rijksvaccinatieprogramma, respectievelijk ouders in gewetensnood brengt, waardoor er ouders zullen zijn die de adviezen van de arts opvolgen met ernstige risico’s voor de desbetreffende kinderen.



Klager acht de door verweerder publiekelijk gegeven adviezen onverantwoord en misplaatst, omdat de risico’s van het opvolgen van deze adviezen ernstig kunnen zijn en omdat de adviezen slechts berusten op overtuiging en kwestieuze casuïstische bevindingen en een ongefundeerde behandelings­methode.



Voorts neemt klager het verweerder kwalijk dat hij ten onrechte aan zijn adviezen de geruststelling koppelt dat daaraan nauwelijks risico’s kleven. Hij stelt immers dat bij uit- of afstel van vaccineren in zo’n situatie voorkomende ziekte goed homeopathisch te behandelen zou zijn. Ook daarbij baseert hij zich op niet-wetenschappelijk onderbouwde behandelingsmethoden.


Als tweede klachtonderdeel voert klager aan, dat het aannemelijk is dat de arts - vanuit zijn overtuiging - dezelfde adviezen (als in zijn publieke optreden) verstrekt aan zijn patiënten tijdens zijn dagelijkse consultvoering, daarbij behandelings­wijzen toepassend die niet voldoen aan de medisch-professionele standaard.



4. Het standpunt van verweerder


Verweerder is primair van oordeel dat klager niet-ontvankelijk is. Ingevolge de Leidraad Onderzoek door de Inspectie voor de Gezondheidszorg naar aanleiding van meldingen wendt de inspectie zich slechts tot het tuchtcollege indien er een redelijk vermoeden is dat een tuchtnorm overschreden is en het algemeen belang bij de zaak in overwegende mate betrokken is. Van een en ander is hier niet gebleken.



Bovendien is klager niet-ontvankelijk, omdat noodzakelijk is dat er sprake is geweest van directe zorg aan een patiënt of enig ander handelen dat in enigerlei verband staat met het verlenen van individuele gezondheidszorg. Daar is, zeker voor wat het eerste klachtonderdeel betreft, geen sprake van.


Subsidiair voert verweerder aan dat de klacht ongegrond is. Volgens art. 7, lid 1 van de Grondwet heeft immers niemand voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Ingevolge van lid 3 van dit artikel is voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere middelen geen voorafgaand verlof nodig, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Deze grondwettelijke bepalingen bieden verweerder bescherming. Dit betreft niet alleen de Grondwet maar ook art. 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en art. 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Uit art. 47, lid 1 Wet BIG kan niet worden afgeleid dat het een arts niet vrijstaat om in het openbaar zijn mening te geven over bepaalde aspecten van de gezondheidszorg.



Geen enkele vorm van verlening van gezondheidszorg wordt door de uitlatingen van verweerder in een kwaad daglicht gesteld. Verweerder heeft slechts aandacht gevraagd voor de mogelijke risico’s die aan het Rijksvaccinatie­-programma zijn verbonden. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat kinderen na vaccinatie min of meer ernstige verschijnselen kunnen tonen, zoals ook wordt vermeld in het rapport van de Gezondheidsraad ‘Vaccinatie tegen kinkhoest’.


Verweerder benadrukt dat hij nimmer heeft betoogd dat vaccinatie achterwege zou moeten blijven. Van een onrust bij het publiek is niets gebleken. Verweerder heeft inderdaad, voordat het nieuwe kinkhoestvaccin in gebruik werd genomen, vaak twijfels geuit over de werkzaamheid van het vaccin en de nadelen van de bijwerkingen ervan. Daarin stond verweerder niet alleen; de Gezondheidsraad heeft geadviseerd het oude vaccin te vervangen.



Ook het tweede klachtonderdeel is ongegrond. Het wordt niet geconcretiseerd.



5. De overwegingen van het college


5.1 Het college acht klager ontvankelijk in zijn klacht. Ingevolge de door verweerder genoemde Leidraad en de daarop berustende jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege is klager zoniet gehouden, dan ieder geval bevoegd de onderhavige klachten in te dienen. De Leidraad vormt geen belemmering voor de ontvankelijkheid.


Ook het tweede niet-ontvankelijkheidverweer faalt. De gestelde overtreden tuchtnorm is die van art. 47, lid 1, sub b van de Wet BIG,  waaronder ook valt het in het openbaar doen van uitlatingen door een persoon, die daarbij te kennen geeft dat hij arts is, waarbij ten onrechte een bepaalde vorm van verlening van gezondheidszorg in een kwaad daglicht wordt gesteld en waardoor bij het publiek ten onrechte onrust wordt gewekt.


In dit verband merkt het college nog op, dat de ontvankelijkheid wordt beoordeeld op basis van de stellingen van klager.



5.2 Verweerder kan zich niet met vrucht beroepen op door hem aangevoerde bepalingen in de Grondwet en internationale verdragen. De in de Grondwet en verdragen verleende vrijheden gaan niet zo ver dat in strijd met de wet (in casu art. 47, lid 1, sub b Wet BIG) kan worden gehandeld.


5.3 Vaccineren behoort tot de effectiefste middelen in de gezondheidszorg. Sedert het begin van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) zijn de ziekten waartegen wordt gevaccineerd, verdwenen of tot een laag niveau teruggedrongen. Een hoog entpercentage is noodzakelijk om verspreiding van de betreffende ziekte te voorkomen.



5.4 De basis voor het handhaven van een hoge vaccinatiegraad is het RVP. Het RVP is met grote zorg en deskundigheid opgesteld en is voortdurend onderhevig aan evaluatie en toetsing op veranderingen en nieuwe inzichten, ook op het gebied van effectiviteit en bijwerkingen. Ook in het RVP wordt daarvan melding gemaakt.



5.5 Verweerder heeft kritiek op het RVP. In deze zaak zijn met name aan de orde de door klager gewraakte adviezen die verweerder  in de regionale pers aan het publiek heeft gegeven.



5.6 Het college is van oordeel dat kritiek op het RVP geleverd moet kunnen worden en zelfs dat dit wenselijk is. Als echter daarbij aan het publiek adviezen worden gegeven die schadelijk zijn voor het belang van een goede individuele gezondheidszorg, kunnen deze adviezen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen opleveren. Het college heeft onderzocht of daarvan in dit geval sprake is.



5.7 Het college stelt voorop, dat de door verweerder in de media gegeven  adviezen niet wetenschappelijk zijn onderbouwd of zijn gebaseerd op evidence-based medicine. Ze zijn  gebaseerd op persoonlijke ervaringen van verweerder. Dit noopt tot grote behoedzaamheid en terughoudendheid bij het geven van deze adviezen, temeer als ze worden gegeven in voor het publiek bedoelde media, zoals de onderhavige dagbladen.



5.8 In dit geding is echter niet de vraag aan de orde of en in hoeverre  de adviezen van verweerder juist zijn, maar of hij door de voormelde publicatie heeft gehandeld in strijd met de belangen van de individuele gezondheidszorg. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de tekst van de publicatie.



5.9 Het college is van oordeel, dat verweerder in de publicatie niet afraadt te vaccineren. Hij heeft weliswaar ouders die kritisch staan tegenover het huidige vaccinatiebeleid, in overweging gegeven de kinkhoestvaccinatie weg te laten, maar, nu op het ‘oude’ vaccin ook vanuit de Gezondheidsraad kritiek is gekomen en ook is geadviseerd om een nieuw vaccin te gaan gebruiken, acht het college dit advies niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het college tekent hierbij aan dat de kritiek van verweerder geen betrekking heeft op het door de Gezondheidsraad aanbevolen ‘nieuwe’ vaccin.


Voorts houden de adviezen aan ouders in om andere en/of meer gespreide tijdstippen van vaccinaties te overwegen dan in het RVP wordt bepaald. Verweerder balanceert hier op de grens van het toelaatbare (met name betreft dit het advies om later te beginnen met inenten), maar, gelet op de voorzichtige en het publiek ruimte latende bewoordingen, waarin deze adviezen in de samenvatting van het artikel worden weergegeven, bieden zij op zich (net) niet voldoende grond aanwezig om tot het oordeel te komen dat de individuele gezondheidszorg hierdoor in een kwaad daglicht wordt gesteld en daardoor is geschaad.



5.10 In (de samenvatting van) het artikel  stelt verweerder echter nader, dat bij uitstel van vaccineren een onverhoopt optredende kinderziekte goed homeopathisch te behandelen is. Verweerder gebruikt hier een argument dat onvoldoende is genuanceerd, niet wetenschappelijk is onderbouwd, niet is gebaseerd op evidence-based medicine, maar is gebaseerd op persoonlijke ervaringen, dat echter wel kan leiden tot beslissingen van ouders om niet dan wel later te doen vaccineren. Met klager is het college van oordeel, dat ten gevolge hiervan op onvoldoende onderbouwde gronden kinderen kunnen worden blootgesteld aan het risico van het doormaken van ziekten, hetgeen risico’s kan opleveren voor de individuele gezondheidszorg van kinderen.



5.11 Het voorgaande houdt in dat onderdeel 1 van de klacht gegrond is in zoverre als onder 5.10 overwogen.



5.12 Het tweede onderdeel van de klacht betreft de individuele gezondheidszorg van verweerder aan zijn patiënten. Klager acht het aannemelijk dat verweerder, vanuit zijn overtuiging, dezelfde adviezen geeft aan zijn patiënten als hij publiekelijk doet. Het college is hierover van oordeel, dat dit een onvoldoende grondslag voor een tuchtrechtelijke veroordeling oplevert. Een dergelijke veroordeling hangt immers samen met een zorgvuldige beoordeling van de omstandigheden in een concreet geval. Nu het college daarvan geen kennis draagt, kan het niet tot een tuchtrechtelijke beoordeling komen.


Dit onderdeel van de klacht zal daarom worden afgewezen.



5.13 Het college acht de maatregel van waarschuwing passend. Voorts zal het college bepalen dat deze beslissing, zodra zij in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, conform artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant en ter publicatie zal worden aangeboden aan Medisch Contact.



6. De beslissing


Het college verklaart de klacht gegrond als onder 5.10 overwogen en legt verweerder op



- de maatregel van waarschuwing;


- wijst de klacht af voor het overige;



bepaalt dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant en ter publicatie zal worden aangeboden in Medisch Contact.


Aldus gewezen door mr. H.P.H. van Griensven, voorzitter; mr. W.E.M. Duynstee-Bijvoet, lid-jurist; A.F.A. van de Reepe, H.C.Th. Maassen, jhr. dr. O.J. Repelaer van Driel, leden-geneeskundigen; in aanwezigheid van mr. P.G.T. Lindeman-Verhaar, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2006 in aanwezigheid van de secretaris.



Klik hier voor het PDF van dit artikel

vaccinatie evidence based medicine kinkhoest
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.