Inloggen
Laatste nieuws
Arno van Rooijen
8 minuten leestijd
huisartsenzorg

De kunst van het loslaten

Plaats een reactie

Oordeel van artsen over nieuwe zorgverleners

Om artsen te ontlasten nemen nieuwe zorgverleners taken over. Uit een enquête onder het KNMG-ledenpanel blijkt dat artsen deze taakherschikking een warm hart toedragen, maar dat ze moeite hebben om de eindverantwoordelijkheid voor de zorg uit handen te geven.

Volgens de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) kunnen verpleegkundigen en paramedici vaak voorkomende en minder gecompliceerde zorgvragen heel goed zelfstandig uitvoeren; artsen kunnen zich beter op hun kerntaken richten. De RVZ omschrijft taakherschikking als 'het structureel herverdelen van taken tussen verschillende beroepen.'1 Er wordt onderscheid gemaakt tussen 'beroep' en 'functie'. Dat is van belang omdat juridische regelingen (bijvoorbeeld voor titelbescherming en erkende specialismen) en opleidingen doorgaans gekoppeld zijn aan beroepen en niet aan functies. Dit is van belang vanwege het structurele karakter van taakherschikking. Hogescholen spelen al in op het vraagstuk van taakherschikking en bieden opleidingen tot nurse practitioner, physician assistant, praktijkondersteuner huisartsenzorg en andere paramedische opleidingen. Volgens de RVZ is op veel plaatsen al sprake van informele vormen van taakherschikking en is het formaliseren daarvan nodig, omdat alleen dan de zorg beter en efficiënter is te organiseren. Daarom moet de overheid - aldus de RVZ - taakherschikking wettelijk regelen.

Reactie KNMG
De KNMG onderkent het belang van taakherschikking en is hoofdzakelijk positief over het rapport van de RVZ. Taakherschikking kan volgens de KNMG een belangrijke bijdrage leveren aan de toegankelijkheid en de kwaliteit van de gezondheidszorg. Bij de verdeling van taken dient te worden uitgegaan van een functionele omschrijving van de zorg die gezamenlijk wordt geleverd en van de gewenste competenties van de betrokken beroepsbeoefenaren. Maar de eindverantwoordelijkheid voor medische handelingen ligt volgens de KNMG nog steeds bij de arts. Om haar standpunt over het RVZ-advies te bepalen heeft de KNMG via de 9de editie van het KNMG-ledenpanel de opvattingen van haar leden onderzocht. Het ledenpanel bestaat uit leden van de KNMG, verdeeld over vijf categorieën: huisartsen, medisch specialisten, sociaal-geneeskundigen, artsen in opleiding en overige artsen. Van de 1082 uitgezonden vragenlijsten zijn er 659 bruikbaar retour gekomen, een respons van 61 procent.

weinig ervaring
Uit antwoorden van het ledenpanel blijkt dat artsen nog weinig praktische ervaring hebben met nieuwe professionals zoals physician assistants en nurse practitioners. Slechts 2 procent van de panelleden geeft aan ervaring te hebben met een physician assistant. Een wat grotere groep leden heeft ervaring met een praktijkondersteuner (15%) en/of een nurse practitioner (13%). Met andere vormen van praktijkondersteuning heeft 17 procent praktische ervaring. Het gaat in die gevallen veelal om verpleegkundigen met verschillende specialisaties en dokters- en praktijkassistenten. Met de bekendheid is het wat beter gesteld. De nurse practitioner is bij artsen die nog geen praktische ervaring met taakherschikking hebben, het meest bekend (42%) en 37 procent is op de hoogte van het bestaan van de praktijkondersteuner. De in Nederland relatief nieuwe professional, de physician assistant, is bij 23 procent van de respondenten bekend (figuur 1).

Beroepsuitoefening


Een meerderheid van het ledenpanel (56,5%) is van mening dat taakherschikking de beroepsuitoefening van artsen interessanter maakt. Er is echter ook een aanzienlijke groep leden (20%) die het daarmee niet eens is. Van de respondenten is 42 procent bevreesd dat taakherschikking tot minder patiëntcontact leidt. Deze mening komt vooral voor onder huisartsen en onder artsen in de leeftijdscategorie van 46 tot 60 jaar (figuur 2).


Volgens de RVZ moeten eenvoudige zorgvragen op een andere manier worden afgehandeld dan nu gebruikelijk is. Van de respondenten is ruim 70 procent het eens met de stelling dat artsen zich meer op de complexe zorg moeten richten. Huisartsen en medisch specialisten verschillen hierbij van mening. Huisartsen zijn het minder vaak (68%) dan gemiddeld (75%) eens met deze stelling en medisch specialisten (87,5%) onderschrijven de stelling juist vaker.


Artsen zien voordelen in taakherschikking. Van de respondenten is 77 procent van mening dat door taakherschikking artsen zich beter op hun kerntaken kunnen richten (figuur 3).


Een meerderheid (62%) vindt dat triage door verpleegkundigen veel werk weghaalt bij de huisarts. Na triage komt de patiënt bij de juiste hulpverlener terecht en vindt de eigenlijke diagnostiek plaats. Slechts eenderde van de respondenten is van oordeel dat alleen een arts diagnostiek kan verrichten. Bijna de helft (47%) wijst deze stelling af. Eenvijfde (20%) is neutraal (figuur 4).

Voorbehouden handelingen


Artsen staan er dus voor open dat verpleegkundigen zowel triage als diagnostiek verrichten. Dat ligt anders op het gebied van voorbehouden handelingen. De RVZ wil verpleegkundigen voor bepaalde voorbehouden handelingen een zelfstandige bevoegdheid geven. Een ruime meerderheid van het ledenpanel is het hiermee niet eens. Volgens 63 procent moet het op eigen gezag uitvoeren van voorbehouden handelingen gereserveerd blijven voor artsen. Ruim eenvijfde (22%) is het niet eens met deze opvatting en 14 procent kiest een neutrale positie (figuur 5).


In tegenstelling tot bijvoorbeeld de manier waarop voorbehouden handelingen in de Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BIG) zijn geregeld, komt de opdrachtfiguur in de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WOG) niet voor. Verpleegkundigen kunnen daarom niet 'in opdracht van de arts' medicatie voorschrijven. De RVZ wil de WOG aanpassen, zodat verpleegkundigen binnen de marges van het geldende protocol recepten kunnen uitschrijven. Een ruime meerderheid (61%) van het ledenpanel is het hiermee niet eens. Artsen jonger dan 30 jaar zijn minder vaak (9%) en artsen tussen 46 en 60 jaar juist vaker (29%) dan gemiddeld (26%) van mening dat verpleegkundigen de mogelijkheid tot het voorschrijven van medicijnen moeten hebben (figuur 6).


Bijna tweederde (64%) is van mening dat artsen taken rond coördinatie van zorg moeten overdragen, 16 procent is het daar niet mee eens, 20 procent is neutraal. Huisartsen vinden minder vaak (43%) dan gemiddeld (50%) dat artsen taken rond continuïteit en zorg moeten overdragen. Medisch specialisten vinden vaker (60%) dan gemiddeld dat artsen taken rond continuïteit en zorg moeten overdragen. Van de 'overige' artsen vindt 35% dat artsen deze taken moeten overdragen (figuur 7).

Eindverantwoordelijk


De inzet van verpleegkundigen en andere disciplines binnen het medisch domein is mede mogelijk omdat medische taken systematisch zijn beschreven in wetenschappelijk gefundeerde handelingsprotocollen. Een ruime meerderheid (61%) is het dan ook eens met de stelling dat artsen uitsluitend geprotocolleerde behandelingen kunnen overdragen; 22 procent is het daar niet mee eens, 17 procent is neutraal.


De RVZ is er geen voorstander van een praktijk in stand te houden waarin artsen worden gesteund in de gedachte, dat zij altijd 'eindverantwoordelijk' zijn voor wat verpleegkundigen, doktersassistenten of andere hulpverleners doen. Toch vindt bijna driekwart (73%) van de respondenten dat de relatie tussen de nieuwe zorgprofessional en de arts gebaseerd moet zijn op de eindverantwoordelijkheid van de arts. Medisch specialisten zijn het vaker (81%) dan gemiddeld (73%) eens met deze stelling, terwijl juist artsen in opleiding het vaker (28%) dan gemiddeld (17%) oneens met de stelling zijn (figuur 8).

Loslaten


Artsen zien veel mogelijkheden voor taakherschikking, maar hebben moeite met het loslaten van de eindverantwoordelijkheid. Dat een beroepsgroep die zo lang het alleenrecht had op de uitoefening van de geneeskunde, niet gemakkelijk een ommezwaai maakt in haar denken en doen, is begrijpelijk. In de Wet op de uitoefening van de geneeskunst (WUG, 1865) was geregeld dat de arts de eindverantwoordelijkheid heeft voor de totale behandeling van de patiënt. In de praktijk gingen medici ervan uit dat eindverantwoordelijkheid ook de verpleging en verzorging omvatte.


De WUG, en daarmee de monopoliepositie van de arts, is in 1997 vervangen door de Wet BIG. Deze wet geeft aan artsen en verpleegkundigen een eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen van een wettelijk omschreven deskundigheidsgebied. In juridische zin zijn artsen en verpleegkundigen verantwoordelijk voor hun eigen handelen, voor een goede onderlinge samenwerking met duidelijke afspraken en een goede overdracht. Inhoudelijke eindverantwoordelijkheid van een van de betrokken beroepen, bijvoorbeeld de arts, is een lastige aangelegenheid. Immers, geen enkele hulpverlener beheerst alle in de Wet BIG geregelde deskundigheidsgebieden. Toch is het in iedere situatie waarin hulpverleners van verschillende disciplines bij de behandeling van de patiënt zijn betrokken van belang, dat één van hen de inhoud en continuïteit van het geheel overziet en bewaakt. Deze professionele eindverantwoordelijkheid moet goed geregeld zijn en daarvoor moeten hulpverleners zich kunnen verantwoorden.

Competenties


Hoewel artsen en verpleegkundigen zich beiden bezighouden met mensen met (mogelijke) gezondheidsproblemen, verschillen de aandachtsgebieden van deze disciplines. De gezondheidverstoringen zelf en de behandeling ervan worden primair tot het competentiegebied van artsen gerekend (cure). De aandacht van de verpleegkundige richt zich primair op de problemen met dagelijkse en fundamentele levensverrichtingen als gevolg van de ziekte en de behandeling (care). De ingewikkelde samenhang van zorgvragen en de gecompliceerdheid van zowel 'cure' als 'care' staan niet toe de zorg en behandeling zo strikt te scheiden. Vanuit een gemeenschappelijke doelstelling samenwerken is vruchtbaarder. En dat hangt sterk af van de ervaren mogelijkheden en beperkingen van artsen en verpleegkundigen. In dit verband is het ook interessant om stil te staan bij een passage uit het rapport 'De arts van straks', waarin wordt gepleit voor multiprofessioneel onderwijs: 'Aangegeven zou kunnen worden welke taken andere beroepsbeoefenaren kunnen overnemen van de arts en welke onderdelen van de theoretische en praktische opleiding via gemeenschappelijk onderwijs kunnen worden ingevuld, zodat de samenwerking in de latere beroepsuitoefening wordt bevorderd.'2


Uit de peiling onder KNMG-leden blijkt dat nog relatief weinig artsen praktische ervaring hebben opgedaan met de nieuwe professionals. Onbekend maakt onbemind. Het moet voor de verschillende professionals duidelijk zijn wat elkaars mogelijkheden en beperkingen zijn. Beroepsverenigingen hebben een belangrijke taak om elkaar hierover te informeren. De Commissie Implementatie Opleidingscontinuüm en Taakherschikking3 heeft geadviseerd om het hele stelsel van verpleegkundige vervolgopleidingen transparanter te maken. Vooral de positie van de nieuwe professionals zoals de physician assistant en de nurse practitioner verdient daarbij aandacht.

Voorwaarden
De maatschappelijke en politieke onrust en onvrede over de gezondheidszorg biedt kansen om de zorg anders te organiseren. Artsen willen flexibel werken met meer aandacht voor medische taken, maar kiezen voor taakverschuiving en niet voor taakherschikking. Dit standpunt is volgens Houweling c.s.4 voor de toekomst niet houdbaar. De RVZ wil belemmeringen in wet- en regelgeving voor taakherschikking weg hebben. De KNMG is van mening dat bij taakherschikking aan een aantal voorwaarden moet worden voldaan: het garanderen van de kwaliteit van de zorg en een heldere verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden. De RVZ heeft echter zijn voorstellen niet expliciet aan deze voorwaarden getoetst. De onduidelijkheid rond de vraag welke professional wat mag doen, kan ten koste gaan van de kwaliteit van de zorgverlening. De oplossing van het vraagstuk van taakherschikking moet daarom niet alleen worden gezocht in het aanpassen van de wet- en regelgeving, maar met name in methoden en technieken die de overdracht en verspreiding van kennis bevorderen. Opleiding (voorbereiden op taakherschikking) en protocollering (vastleggen van afspraken, verantwoordelijkheden en voorwaarden met betrekking tot taakherschikking) zijn hierbij belangrijke middelen. De belangen en interesses van artsen en verpleegkundigen lopen weliswaar niet altijd parallel, maar het is belangrijk te beseffen dat beide beroepsgroepen een goede patiëntenzorg nastreven. Dat is een reden te meer voor beroepsorganisaties om te investeren in een goede verstandhouding en samenwerking.

drs. Arno van Rooijen,
beleidsmedewerker opleidingen, arts en loopbaan, KNMG


Correspondentieadres:

a.van.rooijen@fed.knmg.nl

 


SAMENVATTING


l Artsen dragen taakherschikking een warm hart toe, maar hebben moeite hebben om de eindverantwoordelijkheid voor de zorg uit handen te geven.


l In juridische zin zijn artsen en verpleegkundigen echter verantwoordelijk voor hun eigen handelen.


l Als hulpverleners van verschillende disciplines bij de behandeling van een patiënt zijn betrokken, is van belang dat één van hen de inhoud en continuïteit van het geheel overziet en bewaakt. Deze professionele eindverantwoordelijkheid moet goed zijn geregeld.


l Beroepsverenigingen hebben een belangrijke taak om elkaar te informeren over elkaars mogelijkheden hieromtrent.


l De oplossing van het vraagstuk van taakherschikking moet niet alleen worden gezocht in het aanpassen van de wet- en regelgeving, maar met name in methoden en technieken die de overdracht en verspreiding van kennis bevorderen.


Referenties


1. Taakherschikking in de gezondheidszorg. Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, Zoetermeer, 2003.  2. De arts van straks. Een nieuw medisch opleidingscontinuüm. KNMG, Utrecht. 2002.  3. Commissie Implementatie Opleidingscontinuüm en Taakherschikking De zorg van morgen, flexibliliteit en samenhang. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Zorg, Den Haag. 2003.  4. Houweling, ST c.s. Verschuiven van taken is tegen de regels. Juridische obstakels bij het delegeren van taken van de praktijkondersteuner. Medisch Contact, 43: 1647-50.


KNMG
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.