Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
I.L.E. Lutke Schipholt
22 november 2005 7 minuten leestijd

‘Als niets helpt, word je onverschillig’

Plaats een reactie

Huisarts Har Meijer over stadsdokters in tijden van cholera



De Leidse huisarts Har Meijer geeft niet alleen een eigenzinnige invulling aan zijn beroep, ook daarbuiten onderscheidt hij zich. Hij dook in archiefmateriaal over de cholera-epidemieën in de negentiende eeuw en vond parallellen tussen het handelen van dokters toen en nu. 



Gewapend met een aantal griepspuiten gaat de Leidse huisarts Har Meijer (64) evenals voorgaande jaren ook deze herfst naar de kroeg. ‘Ik ontmoet daar patiënten die zelf zo’n injectie niet komen halen maar wel tot de risicogroep behoren’, is zijn nuchtere verklaring. Hij trekt zich het lot aan van  de sociaal zwakkeren. ‘De aanwas van mensen die buiten de boot vallen, is fors. Het zijn de mensen die in achterstandswijken in slechte huizen wonen, verkeerde leefgewoonten eropna houden en te weinig geld hebben. Zij zijn de eersten die het slachtoffer worden van een epidemie. Dat was in de negentiende eeuw ten tijde van de cholera zo en dat zal bij een toekomstige epidemie ook zo zijn.’



Meijer wil lering trekken uit het verleden. Hij onderzocht de zeven cholera-epidemieën die Leiden in de negentiende eeuw teisterden en promoveerde onlangs op dit onderwerp met het proefschrift Het vuil, de stad en de dokter. Avonden lang bracht hij door tussen oude documenten in verschillende Leidse archieven. Hij bestudeerde het handelen van de stadsdokters, de gemeente, de universiteit, de ziekenhuizen en de patiënten ten tijde van de epidemieën. Meijer spreekt nadrukkelijk over ‘dokters’ omdat de titel ‘arts’ pas aan het eind van de negentiende eeuw officieel werd.


De lessen die uit de negentiende-eeuwse epidemieën zijn te trekken liggen voor de hand: samenwerking tussen verschillende partijen, wegwerken van armoede en een duidelijke rolverdeling van de spelers in de gezondheidszorg, overheid en wetenschap. ‘De parallellen kunnen misschien wel voorspelbaar zijn, maar ik heb wel aangetoond hoe belangrijk de uitkomsten zijn.’



Bij bosjes


Cholera kwam in de onhygiënische negentiende eeuw vooral voor in arme volkswijken. Patiënten lieten bij bosjes het leven, vaak door toedoen van artsen. ‘De dokter ging als standaardbehandeling bij iedere cholerapatiënt aderlaten’, legt Meijer uit. ‘Daardoor overleed de patiënt natuurlijk nog sneller. In de poorten en stegen stapelden de lijken zich op. De situatie was vreselijk smerig. Of de patiënten nu in het ziekenhuis of thuis werden behandeld, ze gingen dood. Het vertrouwen in de geneesheer werd hierdoor steeds minder.’ Het aanzien van de stadsdokters bij de paupers was toch al niet zo hoog. Echt veel kon de negentiende-eeuwse geneesheer niet doen voor de armen, want daarvoor ontbrak het geld en de kennis. Er was nog geen remedie tegen cholera bekend.


De functie van stadsdokter leverde een basisinkomen op. Het ‘grote’ geld  verdienden zij bij particulieren. Bij de gegoede burgerij had de dokter wel aanzien. In deze klassen kwam overigens geen cholera voor omdat zij wel goede sanitaire voorzieningen hadden.



Volgens Meijer bestond in goede ­tijden de taak van zijn voorgangers voornamelijk uit het schrijven van briefjes waarmee de armen naar de bedeling konden. Omdat de geneesheren door de gemeente waren aangesteld, werden ze door de patiënten geclaimd. Een dokter die om een huisbezoek was gevraagd, moest op stel en sprong aantreden. Meijer ziet een overeenkomst met de dokter van vandaag. Doordat er nu over veel ziekten bekendheid wordt ver ondersteld, denken patiënten dat er veel te genezen is. Krijgen ze hun zin niet, dan proberen ze het af te dwingen. ‘Enerzijds is dat wel goed’, zegt Meijer, ‘want sommige huisartsen zijn geneigd wat lang te wachten met doorsturen. Aan de andere kant hebben sommige ziekten tijd nodig. Maar ik kan me voorstellen dat een zelfstandig ondernemer zich die tijd niet kan gunnen.’



Vrees


Meijer houdt een pleidooi voor de armoedebestrijding. Dat was toen nodig en is nu nog nodig, meent hij. De Leidse arts ziet veel stille armoede. Als voorbeeld noemt hij het toenemende aantal aan alcohol verslaafde patiënten. ‘Er zijn er bij die het geld van de sociale dienst meteen opdrinken in de kroeg. De scheiding tussen arm en rijk is de laatste jaren weer toegenomen. Ik vrees dat een groep uit de sociaal lagere klasse zich in de toekomst buiten het gezichtsveld van artsen begeeft, omdat er bijna geen dokters meer zijn die zich voor dat milieu interesseren.’



Meijer maakt zich in dit opzicht zorgen over de toekomst van de huisartsgeneeskunde. Hij meent dat een goede huisarts zijn vak fulltime moet uitoefenen en zich veel onder de mensen moet begeven. Iets wat volgens hem steeds minder voorkomt. ‘Dat moet je niet als kritiek opvatten, want ik werk zelf ook parttime en dat komt me goed uit. Maar een huisarts heeft veel meer sociale binding met zijn patiënten als hij of zij meer werkt. Uiteraard moet iemand anders dan de diensten doen, want anders is het ondoenlijk.’ Volgens Meijer is naast de verminderde beschikbaarheid van de dokter ook het nieuwe zorgstelsel een oorzaak van het verdwijnen van de continuïteit. ‘Het vak wordt opgedeeld doordat er meer spelers komen in de eerste lijn. Verpleegkundigen behandelen chronisch zieken en preventieartsen voorkomen ziekten. De patiënt wordt een nummer omdat hij naar ziekte wordt ingedeeld. Huisartsen delegeren en er wordt bijna geen visite meer aan huis gemaakt. Ik doe het nog wel eens, gewoon omdat ik het gezellig vind.’



Sociale band


Meijer lijkt op een netwerker pur sang. Hij kent veel mensen, ook bekende. Namen wil hij niet kwijt omdat ‘die mensen dat vervelend vinden’. Hij werkt nu drie dagen en heeft besloten nog een jaar na zijn pensionering door te werken. Hij schrijft boeken en sport dat het een lieve lust is. Vandaag is hij ook nog oppasopa. Meijer springt van de hak op de tak als hij over zijn bezigheden vertelt. Nu heeft hij het over zijn jeugd waarin hij de armoede van leeftijdgenoten leerde kennen. Hij vertelt dit om duidelijk te maken dat hij de taal en mores van de straat kent. ‘Ik ben opgegroeid in de Leidse binnenstad waar vroeger ook de achterbuurten waren. Mijn vader was leraar aan het gymnasium. De lagere school, waar we vlakbij woonden, bevond zich tussen de achterbuurt en de gegoede buurt in. Ik heb vroeger gespeeld met jongens van de straat. Ik zag dat ze een ouderwetse plee buiten hadden. Ik zag de viezigheid en dat de poep in tonnen werd geschept. Daar kreeg ik een sociale band met kinderen uit alle lagen van de bevolking.’



Hij heeft een hele carrière als bestuurslid van verschillende organisaties achter de rug: van de wezenzorg, de daklozenhulp, de opvang van ex-psychiatrisch patiënten, tot de voetbalclub en de tennisclub. ‘Bij het bestuurswerk probeerde ik altijd voorzitter te worden’, zegt hij lachend, ‘zodat ik iedereen kon laten werken’.



Machteloosheid


Zijn interesse voor de medische geschiedenis van Leiden zat er al vroeg in. In 1967 ging hij als huisarts werken in het oude Elisabeth Ziekenhuis. Hij ging lezen over de geschiedenis van het ziekenhuis en ontdekte dat er een eeuw daarvoor epidemieën in Leiden waren geweest waarover weinig bekend was.


Jaren later, in de luwte van zijn loopbaan, ging hij er weer mee aan de slag. Het bleek dat er veel bekend was over patiënten maar weinig over dokters.


‘Ik heb allerlei verslagen gelezen van de vereniging van stadsgenees- en heelkundigen, de toenmalige huisartsenvereniging. In die verslagen staat niets over hoe ze zich voelden. De machteloosheid moest ik opmaken uit hun handelen. Ze beoefenden defensieve geneeskunde, wisten niet precies waartegen zij ten strijde moesten gaan en deden maar wat aan symptoombestrijding. Ten slotte werden ze onverschillig over de zieken, want niets hielp en dat kregen ze ook van hun patiënten te horen. Daartegenover schreven ze wel over feestjes en ruzies met de gemeente. Ook wordt duidelijk dat er een scheiding was tussen stadsdokters en stadsheelmeesters. Dokters hadden aan de universiteit gestudeerd en mochten alle geneeskundige handelingen uitvoeren. Heelmeesters daarentegen hadden geneeskunde geleerd in de praktijk bij een meester of hadden gestudeerd aan een klinische school. De dokters hadden de autoriteit. Onderling waren ze collegiaal. Als de één een probleem met de gemeente had, nam een ander een bemiddelende rol op zich. Verder weet ik niet zo veel over de sociale context van de dokters. Alleen dat ze qualitate qua lid waren van de herensociëteit.’



Moord


Het materiaal dat Meijer verzamelde tijdens zijn onderzoek is nog niet uitgeput. In zijn werkkamer ligt nog een schat aan kopieën waarmee hij nog ‘wel eens’ wat gaat doen.


Een eerste aanzet heeft hij al gemaakt. Medio deze maand kwam zijn roman De Blauwe Dood uit. De roman gaat over de cholera-epidemie van 1832 in Leiden. Op basis van archiefstukken beschrijft hij de achterbuurten uit en te na. Alles is authentiek behalve de moord op een arts. Die heeft hij erbij verzonnen. ‘Nou ja, verzonnen’, zegt hij geheimzinnig. ‘Gedurende mijn loopbaan is mij het nodige in vertrouwen verteld. Daarin zit zoveel materiaal dat ik nóg eens een boek over moord ga schrijven. Het is natuurlijk een doktersgeheim, maar in de vorm van een roman en enigszins verdraaid, kan ik er wat mee. Wij maken zoveel mee, horen verschrikkelijk veel, maar alles moet op slot. Ik verbaas me er altijd over hoe weinig een schrijver als Maarten ‘t Hart - een goeie vriend van mij - meemaakt, maar toch zulke mooie boeken schrijft.’



Meijer zit vol ideeën. Zo wil hij ooit nog een aantal Leidse hoogleraren interviewen over hun meest indringende verhaal. Bijvoorbeeld een hoogleraar die heeft meegemaakt dat een student een ziekte krijgt waarnaar ze zelf onderzoek aan het doen waren.


Verder wil hij alle zeven cholera-epidemieën - twee grote en vijf kleine - nog verder uitdiepen en er een roman over schrijven. Bijvoorbeeld over artsen die in de negentiende eeuw vijftig jaar lang hun vak uitoefenden. Het boeit Meijer hoe ze dat volhielden.



Openbaring


Het schrijversvak is een hele openbaring voor de huisarts. ‘Het leuke van dat schrijven is dat je je geest scherpt. Het huisartsenvak is een ervarings- en routinevak. Schrijven geeft je een nieuwe dimensie. Ik kan er nog veel van leren. Daarover praat ik met verschillende schrijvers. Maarten Biesheuvel, bijvoorbeeld, gaf me de tip dat ik concreter moet schrijven. En binnenkort ga ik met Thomas Rosenboom eten. Dat is een briljant schrijver. Hij gebruikt mooie zinnen. Deze man bezit de gave een verhaal uit zijn hoofd te vertellen waar een spannende opbouw in zit. Dan ga ik diep door de knieën. Ja, ik heb een hele andere wereld leren kennen.’



Har Meijer, Het vuil de stad en de dokter, Uitgeverij De Kler, ISBN 90 70084 44 9, 311 blz., 25 euro.


Har Meijer, De blauwe dood, Uitgeverij De Kler, ISBN 90 70084 43 0, 189 blz., 14,50 euro.



Klik hier voor het PDF-bestand van dit artikel

armoede
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.