Inloggen
Tuchtrecht
Eva Nyst Antina de Jong
8 minuten leestijd
Tuchtrecht

Tweede tuchtnorm geldt alleen voor handelen binnen eigen deskundig­heidsgebied

1 reactie
Getty Images
Getty Images

De gynaecoloog in deze zaak is ook lid van de raad van bestuur. In die functie heeft ze meermaals schriftelijk contact met een patiënt van de neurologen in haar ziekenhuis. De patiënt ontdekte in zijn medisch dossier dat de diagnose chronische inflammatoire demyeliniserende polyneuropathie (CIDP) bij hem was gesteld.

Gesprekken en correspondentie tussen de neurologen, klachtenfunctionaris en het lid van de raad van bestuur volgen, waarna de patiënt niet alleen tegen zes neurologen een tuchtklacht indient, maar ook tegen de gynaecoloog-bestuurder. Volgens de ‘tweede tuchtnorm’ in de Wet BIG kunnen artsen worden aangesproken als ze iets doen of laten ‘in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt’. Daarmee kan iemand ook een tuchtklacht tegen een arts indienen met wie hij geen directe arts-patiëntrelatie heeft, maar die in een leidinggevende of bestuurlijke functie handelde. Dit kan als het optreden voldoende ‘weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg en de verweerder zich bij zijn handelen heeft begeven op het deskundigheidsgebied dat bij zijn titel hoort’, stelt het regionaal tuchtcollege. Deze aangeklaagde arts was weggebleven van haar deskundigheidsgebied als arts en handelde in haar hoedanigheid van bestuurder. Haar optreden valt daarom niet onder de tweede tuchtnorm en de klacht wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het daarmee eens.

Eva Nyst, journalist

mr. Antina de Jong, adviseur gezondheidsrecht

Volledige uitspraak

Beslissing in de zaak onder nummer C2020.228 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

Tegen 

C. , gynaecoloog, (lid van de Raad van Bestuur van het   ziekenhuis), werkzaam te D., verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. dr. L.A.P. Arends te Nijmegen.

1. Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft op 18 mei 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen gynaecoloog C. – hierna de gynaecoloog – een klacht ingediend. Bij voorzittersbeslissing van 17 september 2020, onder nummer 2054g, heeft dat College klager in zijn klacht niet-ontvankelijk verklaard.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De gynaecoloog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 11 juni 2021, waar klager vergezeld van zijn echtgenote en de gynaecoloog bijgestaan door haar gemachtigde, mr. dr. L.A.P. Arends, zijn verschenen.

De zaak is door beide partijen over en weer toegelicht. Beide partijen hebben dat (mede) gedaan aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd.

2. Beslissing in eerste aanleg

2.1 De in eerste aanleg vastgestelde feiten.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klager was vanwege neurologische uitvalsverschijnselen van de voeten tussen juli 2017 en december 2018 in behandeling op de afdeling neurologie bij het ziekenhuis waar verweerster, gynaecoloog, werkzaam is als Lid van de Raad van Bestuur. Klager ontdekte in maart 2019, na inzage in zijn medisch dossier, dat de diagnose Chronische Inflammatoire Demyeliniserende Polyneuropathie (CIPD) was gesteld bij hem.

Klager heeft op 20 maart 2019 een klacht ingediend bij de klachtencommissie van het ziekenhuis omdat informatie met betrekking tot zijn diagnose niet aan hem was verstrekt. Daaropvolgend werd een bemiddelingstraject opgestart. Op 10 april en 1 mei 2019 vonden gesprekken plaats met twee behandelend neurologen.

Klager heeft op 9 mei 2019 schriftelijk om individuele gesprekken met vier arts-assistenten verzocht. Zijn verzoek werd op 28 mei 2019 door de klachtenfunctionaris afgewezen waarop het bemiddelingstraject werd beëindigd.

Op 14 juni 2019 heeft klager wederom een klacht ingediend bij de klachtencommissie wegens onvoldoende onderzoek, onvoldoende informatie en onvoldoende organisatie binnen de afdeling neurologie van het ziekenhuis. Op 13 september 2019 volgde de uitspraak van de klachtencommissie. Klagers klacht werd deels gegrond verklaard. Naar aanleiding daarvan ontving klager, namens de Raad van Bestuur, een brief van 16 oktober 2019 van verweerster.

Klager heeft vervolgens nog enkele brieven gestuurd aan een behandelend neuroloog (brieven van 20 november, 20 december 2019) en aan verweerster (brieven van

12 november, 4 december, 29 december en 30 december 2019).

Op 8 januari 2020 heeft verweerster een brief aan klager gestuurd met onder andere het verzoek om alleen nog met haar te corresponderen. Desondanks stuurde klager op

15 januari 2020 een brief aan verweerster en de klachtenfunctionaris. Verweerster stuurde daarop een brief aan klager op 24 januari 2020.

Op 15 februari 2020 heeft klager een brief gestuurd aan verweerster en een arts van het ziekenhuis waarop verweerster hem per brief van 27 februari 2020 wederom heeft verzocht enkel met haar te corresponderen.

Op 9 maart 2020 heeft klager een Wob-verzoek ingediend om de protocollen polyneuropathie op te vragen, welke verweerster op 20 maart 2020 aan klager heeft toegestuurd.

Op 28 april 2020 heeft klager een klacht ingediend bij de klachtencommissie van het ziekenhuis tegen zes artsen van de afdeling neurologie. Op verzoek van de klachtenfunctionaris stuurde een van de behandelend neurologen op 2 juni 2020 een schriftelijke reactie aan klager.  

2.2 De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden het volgende in.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Klager verwijt verweerster - kort samengevat - dat:

1.  zij onvoldoende heeft gedaan aan de inbedding van de afdeling neuromusculaire aandoeningen (NMA), binnen de afdeling neurologie;

2.  de verwachtingen van een individuele patiënt ten aanzien van het aanbod door

3. een expertisecentrum niet worden waargemaakt;

4. zij specialisten ervan heeft weerhouden om het Professioneel Statuut uit te voeren, doordat zij penvoerder werd van de correspondentie tussen klager en de specialisten;

5. zij heeft geïntervenieerd in de werkzaamheden van de klachtenfunctionaris;

6. zij onvoldoende heeft gedaan aan de regelgeving rondom het elektronisch patiëntendossier.

4. Het standpunt van verweerster

Primair voert verweerster aan dat klager niet ontvankelijk is in zijn klacht. Subsidiair betwist verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld te hebben.

2.3 Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

5. De overwegingen van het college

De tuchtnormen zoals neergelegd in artikel 47, lid 1 van de Wet BIG betreffen niet alleen handelen of nalaten in strijd met de zorg die men als beroepsbeoefenaar behoort te betrachten (de eerste tuchtnorm), maar ook enig handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (de tweede tuchtnorm). Voor dit laatste handelen is dan vereist dat het voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg.

Wat verweerster in deze zaak wordt verweten is geen handelen dat wordt bestreken door de eerste tuchtnorm (artikel 47 lid 1 aanhef en onder a Wet BIG), die betrekking heeft op de behandelrelatie tussen een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar en een patiënt, maar handelen van verweerster als lid van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis.

Met de wijziging van de Wet BIG per 1 april 2019 is de zogenoemde tweede tuchtnorm (artikel 47 lid 1 aanhef en onder b Wet BIG) tekstueel aangepast (“enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt”), maar uit de parlementaire geschiedenis (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2016/17, 34 629 nr. 2, pag. 7) blijkt dat de wetgever de bedoeling heeft gehad de bestaande jurisprudentie op dit punt te codificeren. Op grond daarvan valt een gedraging onder de tweede tuchtnorm als door de verweerder gehandeld is 1) in de hoedanigheid van BIG-geregistreerde en de gedraging in strijd is met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (het ‘oude’ criterium), dan wel 2) in strijd is met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt (het ‘nieuwe’ criterium). Ook het handelen van beroepsbeoefenaren in een leidinggevende en/of bestuurlijke functie kan op grond van de tweede tuchtnorm tuchtrechtelijk worden beoordeeld, indien dit handelen zijn weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg en de verweerder zich bij zijn handelen heeft begeven op het deskundigheidsgebied dat bij zijn titel hoort. Wel dient rekening te worden gehouden met de discretionaire ruimte van de leidinggevende c.q. bestuurder.

In de onderhavige zaak heeft het college niet kunnen vaststellen dat verweerster zich, als lid van de Raad van Bestuur, heeft begeven op haar deskundigheidsgebied van gynaecoloog. Daarom kan het handelen van verweerster niet op grond van de tweede tuchtnorm tuchtrechtelijk worden beoordeeld en wordt de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de rechtsoverweging “2. De feiten” van de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4. Beoordeling van het beroep

Procedure

4.1 Klager beoogt in beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd komt in essentie neer op een herhaling van de stellingen die hij reeds in eerste aanleg heeft geuit. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege hem in zijn klacht ontvankelijk te verklaren en zijn klachten gegrond te verklaren.

4.2 De gynaecoloog voert hiertegen verweer en vraagt het Centraal Tuchtcollege – zakelijk weergegeven – primair om klager in zijn klachten (kennelijk) niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair de klachten (kennelijk) ongegrond te verklaren.

Beoordeling

4.3 In beroep is de klacht in al zijn onderdelen nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaakdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 11 juni 2021 is dat debat voortgezet.

4.4 De behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege wa t betreft de klacht geleid tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege en neemt hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder “5. De overwegingen van het college.” heeft overwogen hier over. De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen. Het aan de gynaecoloog verweten handelen valt niet onder de eerste tuchtnorm van artikel 47 lid 1 aanhef en onder a Wet BIG. Voor toetsing aan de tweede tuchtnorm (artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG) is vereist dat sprake is van enig handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Net als het Regionaal Tuchtcollege oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat, gelet op wat door partijen in de stukken in eerste aanleg en in beroep naar voren is gebracht, van dergelijk handelen of nalaten geen sprake is geweest.

4. 5 Aangezien van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten door de gynaecoloog geen sprake is, leidt h et bovenstaande tot de conclusie dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht en het beroep van klager wordt verworpen.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter; T. Dompeling en

R.H. Zuijderhoudt, leden-juristen en J.J. Duvekot en P.J.Q. van der Linden, leden-beroepsgenoten en H.J. Lutgert, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 9 juli 2021.

Meer tuchtzaken

download hier de uitspraak als pdf

Tuchtrecht EPD neurologie
  • Eva Nyst

    Eva Nyst (1973) is journalist bij Medisch Contact en heeft als aandachtsgebieden veiligheid, recht, ethiek en preventie.  

Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • P.G. Verduijn

    KNO-arts niet praktiserend, Sittard

    P.G. Verduijn#pgverduijn@home.nl#Sittard#KNO-arts niet praktiserend#optinsubscribe:y#optinentrysubscribe:y#

    24-10-2021 09:57

    De tweede tuchtnorm staat in de wet BIG (Art 47 lid 1 onder b) omschreven als “enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt.”

    Precies 10 jaar geleden ben ik in mijn toenmalige h...oedanigheid van KNO-arts-bestuurder door het CTG veroordeeld op grond van de tweede tuchtnorm. De klacht ging toen om een operatie aan de penis, uitgevoerd door een aan de kliniek verbonden plastisch chirurg. Deze klacht werd toen ontvankelijk verklaard terwijl deze geen betrekking had op het deskundigheidsgebied van KNO-arts (ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1057).

    Daarenboven gaat het hier niet om het deskundigheidsgebied van een gynaecoloog. Specialistentitels staan niet in de lijst van BIG-beroepen. In die lijst staat alleen de titel van arts. Volgens de Memorie van Toelichting Wet BIG is een directeur patiëntenzorg die de titel arts voert tuchtrechtelijk aansprakelijk wanneer hij zich begeeft op het deskundigheidsgebied dat bij zijn titel hoort (Kamerstukken II, 1952, 3, 74). Als voorbeeld wordt in de Kamerstukken genoemd het beheren van de patiëntendossiers (Kamerstukken II 1987-1988, 19522, 7, 98), waarop een van de onderdelen van de onderhavige klacht betrekking heeft.

    Jammer dat het CTG in de huidige zaak niet toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht. Het lijstje van klager liegt er niet om.

    De tweede tuchtnorm staat in de wet BIG (Art 47 lid 1 onder b) omschreven als “enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt.”

    Precies 10 jaar geleden ben ik in mijn toenmalige hoedanigheid van KNO-arts-bestuurder door het CTG veroordeeld op grond van de tweede tuchtnorm. De klacht ging toen om een operatie aan de penis, uitgevoerd door een aan de kliniek verbonden plastisch chirurg. Deze klacht werd toen ontvankelijk verklaard terwijl deze geen betrekking had op het deskundigheidsgebied van KNO-arts (ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1057).

    Daarenboven gaat het hier niet om het deskundigheidsgebied van een gynaecoloog. Specialistentitels staan niet in de lijst van BIG-beroepen. In die lijst staat alleen de titel van arts. Volgens de Memorie van Toelichting Wet BIG is een directeur patiëntenzorg die de titel arts voert tuchtrechtelijk aansprakelijk wanneer hij zich begeeft op het deskundigheidsgebied dat bij zijn titel hoort (Kamerstukken II, 1952, 3, 74). Als voorbeeld wordt in de Kamerstukken genoemd het beheren van de patiëntendossiers (Kamerstukken II 1987-1988, 19522, 7, 98), waarop een van de onderdelen van de onderhavige klacht betrekking heeft.

    Jammer dat het CTG in de huidige zaak niet toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht. Het lijstje van klager liegt er niet om.

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.