Tuchtrecht
Sophie Broersen Antina de Jong
8 minuten leestijd
Uitspraak tuchtcollege

Arts krijgt geen gelijk van Raad van State over publicatie naam

Plaats een reactie
Hollandse Hoogte
Hollandse Hoogte

De verplichte publicatie van naam en toenaam van artsen die van een tuchtrechter een berisping of boete kregen, is binnenkort verleden tijd: dan zal publicatie hiervan niet meer standaard plaatsvinden, maar kunnen tuchtrechters zelf beslissen of dit zinvol is. Tot die tijd zitten artsen er mooi mee.

Eén zo’n arts vond dit zó onterecht, dat hij publicatie tot aan de Raad van State aanvocht. Hij vond de berisping die hij kreeg niet op zijn plaats.

Afgezien daarvan vond hij de categorieomschrijvingen die bij zijn naam kwamen te staan in het BIG-register – ‘afgifte van een onjuiste verklaring of rapport’ en ‘onjuiste behandeling en/of verkeerde diagnose’ – niet kloppen. Volgens de arts was het duidelijk dat die categorieën op hem niet van toepassing waren, en dus had de minister ze niet moeten gebruiken. Zeker omdat hij daar in zijn werk last van zou krijgen. Bij dat laatste kun je je iets voorstellen. Het ging hier om een dokter met een medisch-adviserende functie. Bij een advies dat niet uitpakt zoals de patiënt had gehoopt, kan zo’n aantekening een prima aanleiding vormen om een klacht in te dienen.

Maar het helpt hem niet: de minister gaat het werk van de tuchtrechter niet overdoen, dat kan en mag hij ook niet. Ook voor wat betreft de categorieomschrijving vaart hij op de tuchtcolleges, hij checkt alleen of er sprake kan zijn van een verschrijving. Rekening houden met de gevolgen mag hij ook niet. Een schrale troost wellicht, maar stampij maken over dergelijke in eigen ogen misschien onrechtvaardige maatregelen, kan soms mensen wakker schudden. Wie weet heeft deze dokter – en los van de vraag of zijn berisping terecht was – er zo toch een klein beetje aan bijgedragen dat deze regel binnenkort verandert.

Sophie Broersen, arts niet-praktiserend/journalist

mr. Antina de Jong, adviseur gezondheidsrecht

Download dit artikel met de ingekorte uitspraak (pdf)

InstantieRaad van StateDatum uitspraak10-10-2018Datum publicatie10-10-2018Zaaknummer201709811/1/A2
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:12994, Bekrachtiging/bevestiging 
RechtsgebiedenBestuursrecht
Bijzondere kenmerkenHoger beroep
InhoudsindicatieBij besluit van 11 juli 2016 heeft de minister de aan [appellant] door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG) opgelegde berisping per 7 juli 2016 aangetekend in het BIG-register.VindplaatsenRechtspraak.nl 
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709811/1/A2.

Datum uitspraak: 10 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 november 2017 in zaak nr. 17/440 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister voor Medische Zorg.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2016 heeft de minister de aan [appellant] door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG) opgelegde berisping per 7 juli 2016 aangetekend in het BIG-register.

Bij besluit van 7 december 2016 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2018, waar [appellant], vergezeld van [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A.H. Gatzen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is als arts werkzaam bij de GGD Haaglanden, waar hij vooral een medisch adviserende taak heeft. Tegen hem is een tuchtklacht ingediend. Het CTG heeft de klacht in hoger beroep bij uitspraak van 7 juli 2016 (ECLI:NL:TGZCTG:2016:240) gegrond verklaard en aan hem de maatregel van berisping opgelegd. Daarbij heeft het CTG in het begeleidend formulier aanbieding beslissing aan BIG-register de categorieomschrijving ‘onjuiste behandeling/verkeerde diagnose’ en ‘afgifte van een onjuiste verklaring of rapport’ vermeld als aard van het vergrijp die tot de maatregel van berisping heeft geleid.

2.    Bij besluit van 11 juli 2016, gehandhaafd bij besluit van 7 december 2016, heeft de minister op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) de aan [appellant] door het CTG opgelegde berisping per 7 juli 2016 aangetekend bij zijn inschrijving in het BIG-register. Aan die besluitvorming heeft de minister ten grondslag gelegd dat hij op grond van de Wet BIG en het Registratiebesluit BIG, als aan de daarin vermelde voorwaarden is voldaan, is gehouden om de maatregel aan te tekenen in het BIG-register. De minister heeft zich bij de aantekening van de berisping in het BIG-register gebaseerd op de door het CTG vermelde categorieomschrijvingen van de aard van het vergrijp waarvoor aan [appellant] een maatregel is opgelegd. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat deze categorieomschrijvingen aansluiten bij de inhoud van de tuchtrechtelijke uitspraak. Daarmee zijn volgens de minister de categorieomschrijvingen niet evident onjuist gekwalificeerd en bestaat geen ruimte om daarvan af te wijken.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de categorieomschrijvingen niet evident onjuist zijn gekwalificeerd. Er is volgens [appellant] voldoende reden om in zijn specifieke geval de categorieomschrijving ‘afgifte van een onjuiste verklaring of rapport’ te schrappen. Het oordeel van het CTG weerspiegelt niet hetgeen volgens hem in werkelijkheid aan de hand is geweest. Hij stelt een zeer overzichtelijk en degelijk beargumenteerd advies te hebben uitgebracht. Daarom is de door het CTG gegeven categorieomschrijving een evident onjuiste kwalificatie, zodat de minister hiervan had moeten afwijken. Door de categorieomschrijving ‘afgifte van een onjuiste verklaring of rapport’, die de minister na zijn bezwaar aan het BIG-register heeft toegevoegd, is hij in een veel ongunstiger positie komen te verkeren. En dat terwijl het voor de minister toentertijd ook al duidelijk moet zijn geweest dat de beide categorieën zijn feitelijke handelen helemaal niet weergaven. Daarbij komt dat een bij de GGD werkzame arts in het algemeen adviserend werkzaam is en zijn verklaringen en rapportages betrouwbaar en geloofwaardig dienen te zijn. De vermelding van beide categorieën in het BIG-register ondermijnen de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van zijn werkzaamheden in ernstige mate, waardoor de daarop gebaseerde besluitvorming ook kan worden aangetast. Bovendien bestaat, gelet op de omstandigheid dat hij nogal eens onwelgevallig voor cliënten die onterecht voorzieningen claimen adviseert, een grote kans dat meer klachten zullen worden ingediend waardoor hij verder in zijn werkzaamheden zal worden belemmerd. Overigens is ook de categorieomschrijving ‘onjuiste behandeling en/of verkeerde diagnose’ ten onrechte opgenomen en dient de maatregel van berisping ook niet in het BIG-register te worden aangetekend, omdat het oordeel van het CTG volgens hem niet is gebaseerd op de werkelijkheid en hij geen berisping verdient.

3.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.

3.2.    Het betoog van [appellant] komt er hoofdzakelijk op neer dat hij het niet eens is met de uitspraak van het CTG en de gang van zaken in die procedure. Die uitspraak is echter in hoogste tuchtrechterlijke instantie gewezen. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, is de minister niet bevoegd om de tuchtrechtelijke uitspraak inhoudelijk te beoordelen en zo nodig de categorieomschrijving op andere wijze in het BIG-register aan te tekenen dan het CTG heeft vermeld. De minister is op grond van artikel 9 van de Wet BIG gehouden om de opgelegde maatregel en de aard van het vergrijp dat tot de aantekening heeft geleid in het register aan te tekenen  zoals het CTG dat aan de minister heeft gemeld. Daarmee heeft de minister ook niet de vrijheid om rekening te houden met de gevolgen die een aantekening van een maatregel en/of vermelding van de aard van het vergrijp in het BIG-register met zich brengen.

    Voor zover de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat hij het bestendig beleid hanteert om bij het overnemen van de aard van het vergrijp altijd te toetsen of de categorieomschrijving niet evident onjuist is gekwalificeerd, impliceert dit niet dat de minister, zoals [appellant] wel lijkt voor te staan, een inhoudelijk oordeel geeft over die kwalificatie. Het beleid voorziet enkel in een controle op hoofdlijnen of de categorieomschrijvingen overeenstemmen met hetgeen in de uitspraak van het CTG is overwogen met als doel om te voorkomen dat evidente verschrijvingen op het formulier aanbieding beslissing CTG aan BIG-register in het register worden overgenomen. Dat betekent dat de minister niet zelf bevoegd is om een andere categorieomschrijving van de aard van het vergrijp in het BIG-register te vermelden. Nu in dit geval de categorieomschrijvingen van de aard van het vergrijp hun grondslag vinden in de uitspraak van het CTG, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van evident onjuiste categorieomschrijvingen als vorenbedoeld geen sprake is.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Rijsdijk

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2018

705. BIJLAGE - Wettelijk kader

Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

Artikel 9

1. In het register wordt, indien zulks voortvloeit uit een op grond van deze wet genomen maatregel of besluit, een aantekening geplaatst van:

[…]

b. een aan de ingeschrevene opgelegde berisping;

[…]

5. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met j, en de in het tweede lid bedoelde aantekening wordt gedurende een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde termijn in het register vermeld en daarbij wordt indien bekend de aard van het vergrijp vermeld dat tot de aantekening heeft geleid.

Artikel 10

1. Iedere inschrijving, aantekening of doorhaling in een register geschiedt op grond van een daartoe strekkende gedagtekende beschikking.

[…]

Artikel 11

1. Onze minister draagt zorg voor openbare kennisgeving van:

a. hetgeen op grond van artikel 9 in het register is aangetekend en vermeld, met dien verstande dat van de aan een ingeschrevene opgelegde voorwaarden uitsluitend wordt kennisgegeven in de bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen;

[…]

2. In de openbare kennisgeving worden de naam en de woonplaats van de betrokkene vermeld. De openbare kennisgeving geschiedt op bij algemene maatregel van bestuur te regelen wijze en voor de daarbij vast te stellen duur, met dien verstande dat de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant geschiedt.

Artikel 47

1. Degene die in een der in het tweede lid vermelde hoedanigheden in een register ingeschreven staat, is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van:

a. enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van:

1˚. degene, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand hij bijstand verleent of zijn bijstand is ingeroepen;

2˚. degene die, in nood verkerende, bijstand met betrekking tot zijn gezondheidstoestand behoeft;

3˚. de naaste betrekkingen van de onder 1˚ en 2˚ bedoelde personen;

b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.

2. De in het eerste lid bedoelde hoedanigheden zijn die van:

arts,

[…].

3. De tuchtrechtspraak wordt in eerste aanleg uitgeoefend door regionale tuchtcolleges en in beroep door een centraal tuchtcollege.

[…].

Artikel 48

1. Het berechtende college kan ten aanzien van een aan de tuchtrechtspraak onderworpen persoon een van de volgende tuchtrechtelijke maatregelen opleggen:

[…]

b. berisping;

[…].

Registratiebesluit BIG

Artikel 5

[…]

2. Van de gegevens, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet, de gegevens omtrent alle voorwaarden daaronder begrepen, wordt openbaar kennis gegeven:

a. door middel van publicatie in een of meer dag- of weekbladen die worden verspreid in het gebied waarin de betrokkene zijn beroep uitoefent, en

b. door middel van publicatie op daartoe bestemde websites op internet.

3. Voor de openbare kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, onder b, en de aantekening in het BIG-register, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, geldt dat deze raadpleegbaar zijn voor:

[…]

b. een berisping: gedurende 5 jaar;

  • Sophie Broersen

    Sophie Broersen was journalist bij Medisch Contact van 2008 tot 2021. Na haar studie geneeskunde en huisartsopleiding ging zij als journalist aan de slag. Bij Medisch Contact schreef zij over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieerde zij tuchtzaken. Na haar journalistieke carrière is zij in 2021 weer als arts gaan werken.  

Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.